Centraal Bureau voor de Statistiek, Ga naar hoofdmenu / zoekveld.

HomeMethodenDataverzameling > Regionaal Inkomensonderzoek (RIO)

Regionaal Inkomensonderzoek (RIO)

Wat behelst het onderzoek

Doel

Een beeld geven van de verdeling van het inkomen van personen en huishoudens in Nederland naar landsdeel, provincie, corop-gebied, grootstedelijke agglomeratie, stadsgewest en gemeente.

Doelpopulatie

Bevolking van Nederland op 31 december van een onderzoeksjaar. Gegevens worden gepubliceerd over vier verschillende deelpopulaties:

  1. Personen die het hele jaar (52 weken) inkomen hebben gehad.
  2. Particuliere huishoudens, exclusief studentenhuishoudens, met inkomen.
  3. Particuliere huishoudens, exclusief studentenhuishoudens, die het hele jaar inkomen hebben gehad.
  4. Alle huishoudens (particuliere en institutionele huishoudens en studentenhuishoudens) met inkomen.

 

Statistische eenheid

Persoon en huishouden.

Aanvang onderzoek

De peildatum is 1 januari volgend op het onderzoeksjaar. Het eerste onderzoeksjaar is 2001 ná revisie.

Frequentie

Eenmalig. Vanwege jaarlijkse gemeentelijke herindelingen wordt elk jaar een nieuwe publicatie gemaakt.

Publicatiestrategie

De cijfers uit het RIO zijn voorlopig, nader voorlopig of definitief.

Hoe wordt het uitgevoerd

Soort onderzoek

Het RIO is een panel(steekproef)onderzoek. Het panel van steekproefpersonen wordt jaarlijks aangevuld met een steekproef van 0,16 procent uit de leeftijdsgroep van 15 jaar en ouder. Voor regio’s met minder dan 5 000 inwoners wordt de steekproeffractie verdubbeld tot 0,32. Voor een gedetailleerde beschrijving van het onderzoek wordt verwezen naar het artikel  Regionaal Inkomensonderzoek.

Waarnemingsmethode

Voornamelijk registraties.

Berichtgevers

Ministerie van Financiën (gegevens uit de belastingadministratie), Informatie Beheer Groep (studiefinanciering), en tot 2006 Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (individuele huursubsidie).

Steekproefomvang

Als basis geldt de steekproef van het RIO over het onderzoeksjaar 1994. Om de RIO-steekproef zo goed mogelijk over de regio's te spreiden, is het  steekproefkader (= het totale bevolkingsbestand van de belastingdienst 1994) vooraf geordend op het cijferdeel van de postcode (= ongeveer 4 000 gebieden). De steekproef wordt jaarlijks aangevuld voor de uitstroom (sterfte of emigratie) met een instroom (geboorte of immigratie).

Weging

Bij de ophoging van de steekproef naar de bevolking wordt gecorrigeerd voor het verschil in trekkingskans. De kans dat een persoon wordt opgenomen in de steekproef is evenredig met het aantal personen van 15 jaar of ouder in het huishouden. Verder hangt de trekkingskans af van de grootte van de desbetreffende gemeente. Het startgewicht voor een huishouden is omgekeerd evenredig aan de trekkingskans.

Om de nauwkeurigheid van de uitkomsten te verbeteren worden deze startgewichten vervolgens aangepast door middel van herweging. Omdat uit het RIO schattingen worden gemaakt op zowel persoons- als huishoudensniveau, wordt in de herweging geforceerd dat persoonsgewichten binnen hetzelfde huishouden gelijk zijn aan elkaar. Bij de herweging wordt iedere gemeente afzonderlijk gewogen. Afhankelijk van de gemeentegrootte wordt herwogen met de één of meer van de volgende kenmerken: geslacht, leeftijd, burgerlijke staat, adrestype. De herweging geschiedt met behulp van de methode van lineair wegen.

Wat is de kwaliteit van de uitkomsten

Nauwkeurigheid

Zoals bij alle steekproefonderzoeken zijn de uitkomsten een schatting van de werkelijke, maar onbekende waarden. Bij de interpretatie van de gegevens dient hiermee rekening gehouden te worden.

De afwijkingen worden voor een deel veroorzaakt, doordat informatie over enkele bestanddelen van het inkomen ontbreekt. Het gaat hier onder meer om gegevens over (ontvangen en betaalde) kinderalimentatie en inkomensoverdrachten tussen ouders en hun uitwonende (studerende) kinderen. Het inkomen van deze groep huishoudens wordt daardoor onder- of overschat.

De uitkomsten van het RIO worden gegeven voor gebieden met 200 inwoners of meer. Voor gebieden tot en met 200 inwoners (of 70 huishoudens) zijn de uitkomsten buitengewoon onbetrouwbaar.

Volgtijdelijke vergelijkbaarheid

Soortgelijke tabellen zijn samengesteld vanaf 2001 ná revisie. Bij vergelijking in de tijd kan het voorkomen dat gemeenten niet meer voorkomen in verband met herindelingen.

Waardeer deze pagina: