Centraal Bureau voor de Statistiek, Ga naar hoofdmenu / zoekveld.

HomeMethodenDataverzameling > Medische beslissingen rond het levenseinde - Gegevens verkregen via het Sterfgevallenonderzoek

Medische beslissingen rond het levenseinde - Gegevens verkregen via het Sterfgevallenonderzoek

Wat behelst het onderzoek

Doel

Het verkrijgen van gegevens over het aantal medische beslissingen rond het levenseinde (MBL) van alle overleden personen in Nederland.

Er worden drie typen MBL-handelwijzen onderscheiden, namelijk:

Doelpopulatie

Overleden personen die in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA) zijn opgenomen. In principe wordt iedereen die gedurende tenminste vier maanden rechtmatig in Nederland verblijft, opgenomen in de basisadministratie van de gemeente waar hij of zij woont (woongemeente).

Statistische eenheid

Overleden personen.

Aanvang onderzoek

Sinds 1990.

Frequentie

Vijf jaarlijks. Het onderzoek is gehouden in 1990, 1995, 2001 en 2005.

Publicatiestrategie

Vijf jaarlijks worden definitieve cijfers gepubliceerd na afronding van het Sterfgevallenonderzoek.

Hoe wordt het uitgevoerd

Soort onderzoek

Steekproef. De basis van het sterfgevallenonderzoek is een gestratificeerde steekproef uit de doodsoorzaakverklaringen van de overlijdensgevallen.

Waarnemingsmethode

De arts vult voor iedere overledene een doodsoorzaakverklaring in. Via de gemeente van overlijden worden deze papieren formulieren vervolgens maandelijks naar het CBS gestuurd. Uit de doodsoorzaakverklaringen van augustus t/m november 2005 is voor het Sterfgevallenonderzoek een steekproef genomen voor de enquêtering.

Berichtgevers

De doodsoorzaakverklaring moet worden ingevuld door de arts die de overledene schouwt. Aan deze arts is vervolgens de vragenlijst van het Sterfgevallenonderzoek gestuurd, tenzij uit de vermelding op de doodsoorzaakverklaring blijkt dat de schouwende arts niet de eigen arts van de overledene is en de eigen arts kon worden getraceerd. In die situatie is de vragenlijst aan de eigen arts van de overledene voorgelegd.

Steekproefomvang

Voor het Sterfgevallenonderzoek 2005 zijn 6 860 vragenlijsten verzonden, waarvan er 5 342 zijn terugontvangen, een respons van 78 procent.

Controle- en correctiemethoden

Er is gecontroleerd op volledigheid, interne consistentie en plausibiliteit van de ingevulde vragenlijsten. Waar nodig en mogelijk zijn correcties toegepast.

Weging

Voor de non-respons en voor populatievertekening is gecorrigeerd door de populatie-schattingen te herwegen naar de bekende populatie-aantallen op het niveau van:
- geslacht * leeftijd * burgerlijke staat
- regio * plaats van overlijden
- stratum * doodsoorzaak

Meer informatie is te vinden in: Methode Sterfgevallenonderzoek.

Informatie is ook te vinden in het rapport met de resultaten van het onderzoek naar het functioneren van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

Wat is de kwaliteit van de uitkomsten

Nauwkeurigheid

De resultaten van een onderzoek op basis van een enquête bevatten bijna altijd onnauwkeurigheden. De belangrijkste bronnen van deze onnauwkeurigheid zijn: non-respons, verkeerd of onnauwkeurig invullen van de vragenlijsten en de steekproeffout. Wat betreft het verkeerd of onnauwkeurig invullen van de vragenlijsten mag, op basis van validatieonderzoeken van de vragenlijsten bij het sterfgevallenonderzoek 1995 en 1990, worden geconcludeerd dat deze fouten beperkt van omvang zijn.
Over de steekproeffout kan het volgende worden gezegd. De steekproefopzet en de methode van wegen zijn zo gekozen dat de mogelijke uitkomsten, als er geen andere fouten optreden dan steekproeffouten, gemiddeld gelijk zijn aan de (niet-bekende) werkelijke waarden. De steekproefuitkomsten schommelen om de werkelijke waarden.

De enquête van het Sterfgevallenonderzoek die verstuurd is naar de artsen betreft de overlijdensgevallen in de maanden augustus t/m november 2005. Vervolgens zijn deze gegevens opgehoogd tot jaarcijfers. Hierbij is verondersteld dat het medisch handelen rond het levenseinde in de acht maanden waarover geen gegevens zijn verzameld, vergelijkbaar is met de vier maanden uit de onderzoeksperiode.

Opeenvolgende vergelijkbaarheid

Het onderzoeksontwerp van het Sterfgevallenonderzoek 2005 is nagenoeg gelijk gehouden aan dat van de drie vorige onderzoeken uit 1990, 1995 en 2001.

Volgens de ICD-10 codelijst, welke bij de doodsoorzakenstatistiek wordt toegepast, omvatten de codes I00-I99 alle hart- en vaatziekten. In de Sterfgevallenonderzoeken van 2001 en eerder is een deel daarvan, namelijk de codes I60-I69 (aandoeningen van hersenbloedvaten), geteld bij de ziekten van het zenuwstelsel (codes G00-H95). Aangezien in het Sterfgevallenonderzoek 2005 de indeling conform de doodsoorzakenstatistiek is gehanteerd, zijn de uitkomsten betreffende de hart- en vaatziekten en de ziekten van het zenuwstelsel uit de onderzoeken van 2001 en 2005 niet goed vergelijkbaar. Verder zijn de aangeboren aandoeningen bij de overledenen van 1 jaar of ouder voor 2005 niet gespecificeerd, maar opgenomen in de restgroep 'overige/onbekende doodsoorzaken'.

Beschrijving kwaliteitsstrategie

Er wordt gecontroleerd op volledigheid, interne consistentie en plausibiliteit van de cijfers.

Waardeer deze pagina: