Wat behelst het onderzoek
Doel
Een kwantitatieve beschrijving van het arbeidsproces.
Domeinbeschrijving
De arbeidsrekeningen worden opgesteld volgens de richtlijnen van het Europees systeem van Rekeningen (ESR1995). De belangrijkste variabelen die in de arbeidsrekeningen worden samengesteld zijn banen, werkzame personen, lonen en loonkosten. Er worden uitsplitsingen gemaakt naar onder meer economische activiteit, werknemer/zelfstandige, geslacht, en voor de werknemers naar dienstverband (voltijd/deeltijd) en arbeidsrelatie (flexibele/vaste arbeidsduur). Behalve jaar- en kwartaalgemiddelden worden voor een aantal gegevens ook stroomcijfers samengesteld.
Aanvang onderzoek
1987. Naderhand zijn er cijfers samengesteld vanaf het jaar 1969.
Frequentie
Kwartaal en jaar.
Publicatiestrategie
Kwartaalcijfers: Ieder kwartaal kent twee publicatiemomenten, waarbij de tweede raming gebaseerd is op betere en meer gedetailleerde statistische informatie dan de eerste raming. Na afloop van een verslagkwartaal wordt na 45 dagen een eerste snelle raming, de zogenoemde flashraming samengesteld. Het gaat hierbij alleen om het totaal aantal banen en het totale arbeidsvolume in arbeidsjaren van werknemers. Vervolgens wordt 90 dagen na afloop van het kwartaal de reguliere raming gepubliceerd. De meeste cijfers uit de arbeidsrekeningen over het kwartaal verschijnen dan voor het eerst. Hierna worden de kwartaalcijfers nog drie keer bijgesteld. Bij elke nieuwe jaarraming worden de kwartaalcijfers aangepast zodat de kwartaalcijfers aansluiten op het nieuwe jaarcijfer. Dit gebeurt bij de voorlopige, nader voorlopige en definitieve jaarraming.
Jaarcijfers: Na afloop van het verslagjaar worden na 6, 18 en 30 maanden respectievelijk de voorlopige, nader voorlopige en definitieve jaarramingen gepubliceerd. Deze ramingen zijn gebaseerd op jaarstatistieken. De cijfers komen jaarlijks in juli beschikbaar op StatLine, de elektronische database van het CBS. Tevens worden de cijfers in augustus in de papieren publicatie ‘Nationale rekeningen’ gepubliceerd.
Hoe wordt het uitgevoerd
Belangrijkste bronnen
De belangrijkste bronnen bij de samenstelling van de arbeidsrekeningen zijn de nationale rekeningen, de enquête beroepsbevolking, de enquête werkgelegenheid en lonen; banen, de enquête werkgelegenheid en lonen; lonen en arbeidsduur, de loonaangifte gegevens van werkgevers, en het sociaal statistisch bestand
De Enquête Werkgelegenheid en Lonen is in 2006 geleidelijk vervangen door de loonaangifte gegevens van werkgevers.
Globale structuur integratiekader
Het systeem van de arbeidsrekeningen is een integratiekader waarbinnen de gebruikte bronnen met elkaar worden geconfronteerd. De gegevens uit de verschillende bronnen worden gecorrigeerd voor onder meer verschillen in gebruikte concepten en peilmomenten. Vervolgens vindt een confrontatie plaats tussen de beloning zoals berekend in de arbeidsrekeningen, en die volgens de aanbod- en gebruiktabellen van de nationale rekeningen. Integratie is het onderling afstemmen, volledig en consistent maken van statistische gegevens binnen een stelsel van definities en definitievergelijkingen. Door integratie komt extra informatie beschikbaar die in het oorspronkelijke cijfermateriaal niet aanwezig is.
Volgtijdelijke vergelijkbaarheid
De uitkomsten zijn volgtijdelijk vergelijkbaar.Noodzakelijke correcties van niveaus en nieuwe bronnen worden bij een revisie doorgevoerd.
Revisies
Eens in de vijf à tien jaar worden de nationale rekeningen aan een grondige revisie onderworpen. Bij een revisie worden voor een bepaald jaar alle niveaugrootheden opnieuw vastgesteld. Tevens worden nieuwe beschikbare bronnen en rekenmethoden doorgevoerd. De meest recente revisie vond plaats over verslagjaar 2001.
Bij een revisie van de nationale rekeningen worden de arbeidsrekeningen ook gereviseerd. Momenteel zijn gereviseerde cijfers beschikbaar vanaf 1969.
Beschrijving kwaliteitsstrategie
- De kwaliteit van de AR uitkomsten wordt onder meer gewaarborgd door:
Brongebruik: steeds de meest volledige beschikbare bron wordt gebruikt.
- Verschilberekeningen: verschillen tussen brongegevens en de uitkomsten worden geanalyseerd waarbij oorzaken van verschillen benoemd worden.
- Laag aggregatieniveau: uitkomsten worden opgebouwd vanuit gedetailleerde gegevens. Het betreft circa 1000 onderscheidbare groepen.
- Confrontatie met productie: resultaten moeten plausibel zijn ten opzichte van andere variabelen. Bijvoorbeeld de ontwikkeling van het arbeidsvolume en de toegevoegde waarde moet een plausibele ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit geven.
- Gegevens uit de arbeidsrekeningen voldoen aan een aantal definitievergelijkingen waardoor de gegevens onderling consistent zijn.