‘Dat doen we hier niet’

De verhuizing naar Limburg zou de Voorburgse CBS’ers de nodige cultuurproblemen bezorgen. Chef Personeelszaken H. Hueting, kwartiermaker in Heerlen, had ze al bij zijn eerste visite.

Hueting was één van de eerste Haagse CBS’ers in Heerlen. De verhuizing naar het zuiden ging op basis van vrijwilligheid en Hueting had wel zin. Hij wilde al langer weg uit de Randstad. Dat beteken-de: de flat verkopen in Voorburg en een huis zoeken in Limburg. Bij het tweede huis dat hij met zijn vrouw bezocht, was het meteen raak: leuk huis in een op het oog gezellige buurt. Nog dezelfde dag tekende hij een voorlopig koopcontract. Bij het Bouwfonds voor Limburgse Gemeenten in Geleen hengelde hij naar een hypotheek. Als ‘eerste die gespreid werd’, zei hij tegen de bankmedewerker, wilde hij graag volledige financiering van het huis. Die kreeg hij niet. Hueting snapte het niet: ‘Mooie boel, jullie doen alle mogelijke moeite om rijksdiensten hier te krijgen. Nu komt er een grote rijksdienst naar Heerlen en bij de eerste die hier binnenstapt gaan jullie al moeilijk doen.’ Hij neemt een dag de tijd, onderhandelt met de bankdirecteur en krijgt zijn zin. Tien jaar later woonde hij er nog steeds, in volle tevredenheid.

Geen westerse capsones

In afwachting van nieuwbouw trokken de eerste collega’s in het directiegebouw, waarvan kamer na kamer in bezit werd genomen. Ze moesten er werken terwijl om hen heen de mijngebouwen met zware draglines en bulldozers werden gesloopt. De opbouw van de afdelingen vlotte echter snel en Hueting moest op zoek naar nieuwe huisvesting. Ze waren overal welkom, werden allerhartelijkst ontvangen met koffie en de ‘onafscheidelijke vlaai.’ Ze vonden een broodfabriek, spraken de directeur en hoorden hem zeggen dat hij zijn fabriek geknipt vond voor het CBS. Dat waren Hueting en Vos niet met hem eens en dat zeiden ze tegen de man, die schrok van deze reactie. ‘U zegt recht in mijn gezicht dat u het gebouw niet goed vindt. Dat doen we hier niet. Dat moet je verpakken. Daar moet je een beetje omheen draaien.’ Een botsing van culturen was het.
De praktijk bleek mee te vallen. Later thuis, in zijn nieuwe woonplaats, merkte Hueting niets van een cultuurprobleem. ‘We hebben ons hier nooit hoeven aanpassen. We voelden ons hier direct thuis. Je moet doen zoals men hier doet. Geen misplaatste westerse capsones er op na houden. Je hoeft ook niet Limburgs te doen. Wees gewoon jezelf en het kost je geen enkele moeite hier te aarden.’

CBS’ers eisen voorkeursbehandeling

De CBS’ers die naar Limburg gingen rekenden op een voorkeursbehandeling bij het toewijzen van een woning. Gemeenten rond Heerlen hielden rekening met de komst van de ambtenaren. Heerlen had ambitieuze nieuwbouwplannen: de bouw van ruim 800 sociale huurwoningen in 1974 en 1975, onder andere op de Mijnterreinen van Oranje Nassau I en III, naast 100 woningen in de premiesector en 75 woningen in de vrije sector.
In oktober 1973 is een CBS-delegatie onder leiding van C.H. van Eijnsbergen met de directeur van het gemeentelijke huisvestingsbureau Heerlen, J.L. Reubsaet, en een aantal CBS’ers gaan kijken wat de huisvestingsmogelijkheden in Heerlen waren. Zich terdege bewust van het feit dat de komst van het CBS een gunst was en dat de gemeente er zelf verantwoordelijk voor was dat de verhuizing zou slagen, wilde de gemeente zich niet ambtelijk opstellen bij de toewijzing van woningen. De verhuisambtenaren zouden voorrang krijgen. De meegereisde CBS’ers lieten duidelijk merken dat zij dat laatste niet meer dan logisch vonden. Zij benadrukten dat zij ook maar gestuurd werden: de verhuizing was opgedrongen door de regering ‘en wel op een wijze welke van weinig inzicht in een dergelijke problematiek en gevoel voor democratie getuigt.’

‘Voor het grootste deel toch ambtenaar‘

Voor vele nieuwe collega’s was het kantoorwerk een nieuwe ervaring. Maar zij wenden doorgaans snel. Een van hen was J.J. van de Velde. Hij had gedacht er meer moeite mee te hebben. Hij ver-wachtte strakke schema’s en vele voorschriften waaraan hij zich zou moeten houden, maar daar was geen sprake van. Wat hem wel opviel, was dat alles veel meer tijd kostte dan hij gewend was in het bedrijfsleven. Maar hij was ook al snel gaan inzien dat zorgvuldigheid en risicomijdend gedrag – want daar was al die tijd mee gemoeid – zin hadden. Moeilijk vond Van de Velde het om plezier in het werk te houden, want er was veel eentonig werk dat veel concentratie en weinig intelligentie vergde.

De aanpassing vergde soms veel tijd. De oud-mijnopzichter J. Hansen kwam in 1974 als bureauchef bij het Register Ondernemingen met personeel. Tien jaar later deed hij zijn werk met plezier, maar zijn hart lag nog steeds bij de mijn. De voordelen van de bovengrondse ambtenarij zag hij natuurlijk wel: het werk en het leven waren gezonder en veiliger, er waren geen continudiensten, geen variabele werktijden, geen overwerk, geen weekendwerk, en hij had de vrijheid om zijn verlofdagen te regelen. In de mijnen was bijvoorbeeld 95 procent van het verlof verplicht. Het kantoorwerk was ook minder hiërarchisch dan het mijnwerk. Hij miste ook dingen: het competitie-element bijvoorbeeld. Mijnwerkers werkten tegen een stukloon. Als je als opzichter een goede ploeg had die hard werkte, kon je veel geld verdienen. Maar hij miste vooral het gevoel van kameraadschap en solidariteit. Die was boven de grond ver te zoeken.
Het wennen aan het nieuwe leven als ambtenaar heeft lang geduurd. Genieten kon hij van de oud-collega die geen goedemorgen zei maar ‘Glück Auf, opzichter Hanssen.’ Maar na tien jaar kon hij zeggen dat hij ‘voor het grootste deel toch ambtenaar was geworden.’
Ook de oud-mijnwerkersvrouw kreeg met nieuwe problemen te maken: vaker en regelmatiger een man thuis, en het geheel nieuwe probleem hoe je een inktvlek uit een truitje kreeg.