© CBS

Inzicht in jeneververbruik basis voor regionale statistiek

In 1924 bracht het CBS voor eerst cijfers naar buiten voor een ander regionaal niveau dan een wijk of buurt, gemeente of provincie. Het waren de gegevens van de beroepstelling van 1920 die het bureau publiceerde voor 42 zogeheten economisch-geografische gebieden. Het is niet de oudste regionale indeling van het CBS. Ouder is de thematische regio-indeling van ons land in 107 jeneververzorgingsgebieden (1919).

De indeling in 42 economisch-geografische gebieden is één van de oudste niet-administratieve indelingen, niet de eerste. Historische voorgangers zijn de indeling van ons land in zogeheten landbouwstelsels, ontworpen door de landbouwkundige dr. W.C.H. Staring (1863), de landbouwgebiedsindeling van dr. H. Blink (1912). Een oudere CBS-voorganger is een indeling in 107 zogeheten jeneververzorgingsgebieden (1919), die is gemaakt bij de herziening van de Statistiek van het verbruik van gedistilleerd.

Slimme oplossing

Aan de basis van het idee om de CBS-gegevens voor clusters van gemeenten te publiceren, lag de notie dat gemeente- en provinciegrenzen staatkundig-historische constructies waren die economisch van geen enkele betekenis waren. Een streeksgewijze benadering, waarin de gegevens van een aantal gemeenten bij elkaar genomen werden, lag meer voor de hand. Zeker als die nieuwe kaders aansloten bij de indelingen van bijvoorbeeld de regionale planbureaus. Het samenstellen van regionale kaders kon tegelijkertijd een slimme manier zijn om problemen met het grondmateriaal aan te pakken.
Zo’n slimme oplossing presenteerde het CBS in 1919 toen het de opdracht kreeg van het ministerie van Binnenlandse Zaken om de verbruiksstatistiek (consumptie van gedistilleerd per gemeente) te redden. De gegevens uit deze statistiek: het verbruik per hoofd van de bij de gemeente ingeschreven bevolking, waren niet heel betrouwbaar. Een reden was dat de registratie van de basisgegevens – het vervoer van een minimumhoeveelheid gedistilleerd, gewettigd door het invullen van een zogeheten geleidebiljet – gebrekkig was. Drankhandelaren, tappers, slijters en consumenten ontdoken de controles op het vervoer op grote schaal. Kleine hoeveelheden mochten bovendien zonder het invullen van een formulier worden meegenomen en elders worden genuttigd. Die hoeveelheden bleven dan geboekt in de gemeente.
Een groter probleem was de overconsumptie in grotere steden en marktcentra. In dergelijke plaatsen was het gemiddelde drankverbruik soms erg hoog. In gemeenten waar een markt werd gehouden, dronken marktbezoekers een flink deel van de beschikbare drank op of namen kleine partijen mee naar huis. Ook in garnizoenssteden was het verbruik hoog. De gelegerde militairen stonden er niet ingeschreven maar dronken in de cafés wel de jenever op en hun verbruik telde mee bij het bepalen van het gemiddelde verbruik in de gemeente. Het verbruikscijfer uit de statistiek was dan ook geen goede indicator van de werkelijke alcoholconsumptie van inwoners.

grafiek over alcoholverbruik

Betwist, maar relevant

De verbruikscijfers zijn om die reden altijd zeer bekritiseerd. Vanwege de kritiek is de statistiek na 1899 niet meer gepubliceerd. Maar er is altijd veel vraag gebleven naar de cijfers. Drankbestrijdersverenigingen vroegen het ministerie regelmatig om voortzetting van de publicatie. De daling van het verbruik die uit sporadische publicaties over het onderwerp was waar te nemen, was een boodschap die zij de makers van de officiële statistiek graag wilden laten vertellen, hoe betwist die cijfers ook waren. In 1917 had ook de Amsterdamse hoofdcommissaris van politie P.M. Roest van Limburg belangstelling gehad voor de verbruiksgegevens. Hij wilde zijn lokale vergunningenbeleid erop baseren. Twee keer vroeg hij de minister van Binnenlandse Zaken om de verbruiksgegevens. Die kwam er op zijn beurt mee bij CBS-directeur Methorst. Hij is het uiteindelijk geweest die ervoor gezorgd heeft dat de statistiek weer zou worden gepubliceerd. Daarvoor heeft hij eerst de Centrale Commissie voor de Statistiek moeten overtuigen. Na een succesvol proefonderzoek ging de CCS in oktober 1919 om. Vanaf dat moment werd het CBS verantwoordelijk voor publicatie van de verbruiksstatistiek.

Verzorgingsgebieden

Het bureau zou zorgen voor publicatie van de verbruiksgegevens in een aangepaste vorm. Niet meer de eindeloze cijfertabellen uit de oude publicatie, maar een begeleide, geannoteerde uitgave, waarin precies uitgelegd werd wat de cijfers waard waren en in welk perspectief die cijfers stonden.
Het probleem van de overconsumptie in de marktcentra hoopte Methorst op te lossen door de gegevens niet meer te publiceren per gemeente, maar voor groepen van gemeenten. Geclusterd zijn die gemeenten die ‘in economisch opzicht (markt- of fabriekscentra, streken met eenzelfde industrie, of uit een landbouwkundig oogpunt gelijksoortig) of uit oogpunt van verkeer in zekere zin één geheel vormen. Deze groepen vallen niet altijd binnen de grenzen eener provincie.’ Dat was het sturende principe dat de subcommissie uit de CCS die met de uitvoering van de opdracht was belast, formuleerde voor de samenstelling van de clusters. Het werd een prototype van een indeling in verzorgingsgebieden rondom een stedelijke kern.

Thematische sociogrammen

Het CBS heeft 107 gemeenteclusters, zogeheten jeneververzorgingsgebieden, gevormd. Als thematische sociogrammen heeft het CBS de gegevens gepresenteerd. Drankverbruik koppelde het bureau aan zaken als bestaansstructuur, loonniveau, forensenverkeer, verbruiksgewoonten, vakorganisatie en het optreden van drankbestrijdersverenigingen. De omvang van de clusters varieerde van één gemeente (Vaals), tot maximaal dertig gemeenten (West-Friesland).
Het CBS heeft het verbruik per verzorgingsgebied en de verschillen in verbruik tussen de diverse gebieden ook getracht te verklaren, steunend op wat rapporteurs – belastingontvangers, drankwetinspecteurs en burgemeesters ter plaatse – daarover hadden te melden. Over het algemeen koppelden de informanten een hoog verbruik aan hoge lonen. Een laag verbruik werd toegeschreven aan lage lonen, de invloed van drankbestrijdersverenigingen en de aanwezigheid van vakverenigingen. Patronen in het gedistilleerdverbruik verklaarden zij uit bijzondere lokale omstandigheden, zoals een geregeld en druk marktbezoek, een omvangrijk vreemdelingenverkeer en verschillen in bestaansmiddelen.

Uiteindelijk is de vernieuwde verbruiksstatistiek tweemaal gepubliceerd als bijlage bij het Maandschrift. Referentiejaren waren 1913 (publicatie in 1920) en 1916, 1917, 1918 (publicatie in 1921). De publicatie is sindsdien niet meer verschenen. De verwerkte gegevens over het jaar 1920 hield het bureau slechts in typescript beschikbaar en zijn door bezuinigingen nooit gepubliceerd.

Regionale kerncijfers

Het CBS brengt zijn regionaal-statistische gegevens vandaag de dag (2018) naar buiten voor een groot aantal bovengemeentelijke niveaus. Standaard doet het bureau dat voor 4 landsdelen (Noord-, Oost-, West-, en Zuid-Nederland; ook NUTS-1-gebieden), 12 provincies (ook wel NUTS-2-gebieden), 40 COROP-gebieden (ook wel NUTS-3-gebieden, nader te verdelen in 43 COROP-subgebieden en 52 COROP-plusgebieden). En natuurlijk voor alle gemeenten afzonderlijk, 380 op 1 januari 2018. Binnen gemeenten worden gegevens gepubliceerd van wijken, buurten en postcodegebieden. Met de indeling in economisch-geografische gebieden – 42 gebieden in 1921, 129 gebieden in 1961 – is erg weinig gedaan.
Voor specifieke onderwerpen bestaan thematische regio-indelingen, waaronder voor 35 arbeidsmarktregio's, 11 arrondissementen (rechtsgebieden), 4 ressortgebieden (rechtsgebieden bestaande uit enkele arrondissementen), 25 GGD-regio's, 42 jeugdzorgregio's, 5 werkgebieden van de Kamer van Koophandel, 66 landbouwgebieden (en 14 groepen van landbouwgebieden), 11 Politie Regionale eenheden, 17 toeristengebieden, 25 veiligheidsregio's en 31 zorgkantoorregio’s. De regionale gegevens worden gepubliceerd in de StatLinepublicatie Regionale kerncijfers Nederland. De publicatie omvat een kleine 300 kerncijfers.

1892 - 1940 Frisse winden uit de afdeling Gerechtelijke statistiek