Meer dan 200 maal zo veel personenauto’s als in 1927

© Hollandse Hoogte

Erratum:

Dit is een nieuwe versie van het nieuwsbericht van 19 december 2019. De cijfers van het aantal auto’s in de jaren 1970–1976 zijn bijgesteld. Deze bijstelling is het gevolg van het gebruik van gecorrigeerde cijfers.
Het aantal personenauto’s is in bijna een eeuw tijd toegenomen met een ruime factor 200, van 41 duizend (1927) tot 8,5 miljoen (2019). Dit hangt onder meer samen met de groei van de bevolking, inkomens, en het woon-werkverkeer. Dit meldt het CBS op basis van een nieuwe analyse.

Voor de totstandkoming van deze historische reeks is het Onderzoek lange tijdreeks motorvoertuigen uitgevoerd. Beschikbare databronnen zijn bijeengebracht, ontbrekende data zijn bijgeschat. Breuken in de tijdreeks die in de loop van de tijd zijn ontstaan door bijvoorbeeld wijziging van bronnen, veranderingen van definities, wijzigingen in samenstelling van voertuigcategorieën en verlegging van de peildatum, zijn gerepareerd.

Forse groei autopark in de jaren zestig

Bij de eerste uitgave van de statistiek motorvoertuigen in 1927 zijn 41 duizend personenauto’s geregistreerd, in 1939 waren dat er al 98 duizend. De Tweede Wereldoorlog onderbrak de groei, maar al in 1949 was de grens van 100 duizend personenauto’s bereikt. In 1965 waren er al 1 miljoen, vier jaar later 2 miljoen. In 2019 staat de teller op 8,5 miljoen personenauto’s.

Aantal personenauto's
periodeaantal personenauto's (x 1 000) (x 1 000)
192741
192848
192955
193063
193171
193277
193382
193487
193589
193688
193789
193891
193995
194098
194116
194215
194314
194412
194511
194637
194755
194874
194995
1950121
1951142
1952158
1953173
1954194
1955232
1956282
1957335
1958380
1959419
1960464
1961538
1962635
1963752
1964903
19651095
19661303
19671515
19681745
19692012
19702163
19712426
19722633
19732810
19742928
19753093
19763286
19773518
19783703
19793906
19804123
19814263
19824321
19834385
19844471
19854551
19864616
19874676
19884806
19894967
19905118
19915205
19925247
19935341
19945456
19955581
19965664
19975810
19985931
19996120
20006343
20016539
20026711
20036855
20046909
20056992
20067092
20077230
20087392
20097542
20107622
20117736
20127859
20137916
20147932
20157979
20168101
20178223
20188373
20198531

Veel meer forensen

Een stimulans voor de naoorlogse vraag naar auto’s was de ontwikkeling van het forensisme, het woon-werkverkeer. De omvang van de forensenstromen blijkt uit de volkstellingsgegevens. Het aantal buiten de woongemeente werkzame personen nam toe van 544 duizend (1947) naar 1,1 miljoen (1960) tot 1,6 miljoen (1971): een verdrievoudiging. De woningnood was een factor, maar ook de spreiding van industrievestigingen en de afnemende agrarische werkgelegenheid droegen bij aan de forensenstroom. Toen tegen het einde van de jaren zestig de woningnood in de kleinere gemeenten oploste en tegelijkertijd de woonmilieus in de grote gemeenten achteruitgingen, gingen steeds meer mensen buiten de stad wonen.
De woon-werkstromen zijn sindsdien flink gegroeid. In 1947 werkte 15 procent van de beroepsbevolking buiten de woongemeente, in 1960 was dat 27 procent en in 1971 34 procent. In 2017 was het aandeel forensen onder werknemers toegenomen tot 63 procent.

Verlangen naar vrijheid

De auto maakte het bovendien mogelijk om tegemoet te komen aan het verlangen naar vrijheid, en de toegenomen vrije tijd. Mensen trokken er met de auto op uit. Al in de jaren vijftig ontstonden de files, die aanvankelijk een vrijetijdsverschijnsel waren: opstoppingen op de wegen in de weekenden, tijdens hoogtijdagen met Pasen en Pinksteren en in de zomervakanties. De auto was een begerenswaardig product waarvoor het bestedingspatroon graag werd aangepast.

Bijna 1 auto per 2 inwoners

De relatieve groei van de het autopark is zeker zo indrukwekkend. Het voor bevolkingsgroei gecorrigeerde aantal auto’s groeide van 12 personenauto’s per duizend inwoners in 1950, naar 41 auto’s per duizend inwoners in 1960, 167 in 1970 en 300 in 1981. In 2000 was de autodichtheid al 400 per duizend inwoners. Begin 2019 stond de teller op 494, dat is bijna 1 personenauto op elke 2 inwoners.

Personenauto's per duizend inwoners
Periodenpersonenauto's per *1000 inwoners
19275
19286
19297
19308
19319
193210
193310
193410
193511
193610
193710
193811
193911
194011
19412
19422
19431
19441
19451
19464
19476
19488
194910
195012
195114
195215
195317
195418
195522
195626
195731
195834
195937
196041
196147
196254
196363
196475
196590
1966105
1967121
1968138
1969157
1970167
1971185
1972198
1973210
1974217
1975227
1976239
1977255
1978266
1979279
1980293
1981300
1982302
1983306
1984311
1985315
1986318
1987320
1988327
1989335
1990344
1991347
1992347
1993351
1994356
1995362
1996366
1997373
1998379
1999388
2000400
2001409
2002417
2003423
2004425
2005429
2006434
2007442
2008451
2009458
2010460
2011464
2012470
2013472
2014471
2015472
2016477
2017481
2018487
2019494