Beroepspraktijkvorming

Leren in de praktijk maakt deel uit van iedere opleiding in het beroepsonderwijs. Dit praktijkgedeelte wordt beroepspraktijkvorming genoemd. Er zijn twee vormen:

  • Bij een stage is een leerling voor maximaal zes maanden werkzaam binnen een leerbedrijf. Stages komen voor in de beroepsopleidende leerweg (bol) van het mbo en in de voltijdopleidingen van het hbo.
  • Bij duaal onderwijs gaat een leerling, gedurende de hele studie, één of twee dagen in de week naar school en werkt de overige dagen in de praktijk. Duaal onderwijs heeft betrekking op de leerwerktrajecten van het vmbo, de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) van het mbo en de duale opleiding van het hbo.

Leerbedrijven zitten zowel in de private als in de publieke sector van de economie.

De uitgaven aan beroepspraktijkvorming bestaan voor het grootste gedeelte uit de personeelskosten van de praktijkbegeleiders. Deze kosten zijn afgeleid van het aantal uren begeleidingstijd en het gemiddelde uurloon van een praktijkbegeleider. Daarnaast heeft een deel van de uitgaven betrekking op overige lasten (zoals de uitgaven voor het les- en oefenmateriaal, de inrichting van de werkplekken en de wervingsprocedure). De vergoedingen en salarissen aan de leerlingen zelf tellen niet mee in de uitgaven aan beroepspraktijkvorming. Deze verdienen zich vaak terug via de geleverde productie van de leerlingen. Tot slot is de belastingkorting niet in mindering gebracht op de totale uitgaven aan beroepspraktijkvorming aangezien dit een inkomstenpost betreft.