Kerkelijkheid in Nederland

23-12-2002 10:00

Zes van de tien mensen rekenden zich in 2001 tot een kerkelijke gezindte. De kerkgang lag een stuk lager. Eenderde van de bevolking bezoekt geregeld een kerk of moskee. Met name gereformeerden zijn trouwe kerkgangers.

Ontkerkelijking gestabiliseerd

In 2001 rekenden ongeveer zes van de tien inwoners van Nederland vanaf 18 jaar zich tot een kerkelijke gezindte. Dat was een decennium geleden ook al zo. Bij de laatste volkstelling in 1971 gold dit nog voor ongeveer driekwart van de bevolking. En zo’n 150 jaar geleden rekende vrijwel iedereen zich tot een kerkelijke gezindte of levensbeschouwelijke groepering.

Kerkelijke gezindte, 1971–2001

Vier van de tien geen kerkelijke gezindte

In 2001 noemde 30 procent van de 18-plussers zich rooms-katholiek, 14 procent Nederlands-hervormd en 7 procent gereformeerd. Tot de overige kerkelijke gezindten, waaronder de Islam, behoorde 10 procent van de bevolking. Veertig procent rekende zich niet tot een kerkelijke gezindte.

Eenderde bevolking bezoekt kerk of moskee

Een kerkelijke gezindte betekent niet automatisch veelvuldig kerkbezoek. In 2001 ging tweederde van de bevolking zelden of nooit naar een kerk of moskee. Ruim 20 procent van de bevolking bezocht minstens één keer per maand een religieuze bijeenkomst. De groep zeer trouwe kerkgangers, die minimaal één keer per week een dienst bezoekt, maakte 12 procent uit.

Vrouwen en ouderen oververtegenwoordigd

Onder degenen die zich aangetrokken voelen tot een kerkelijke gezindte en onder de zeer trouwe kerkgangers bevinden zich relatief meer vrouwen, ouderen, lager opgeleiden en inwoners van minder verstedelijkte gebieden.

Kerkbezoek naar kerkelijke gezindte

Gereformeerden trouwste kerkgangers

De afgelopen 25 jaar is het kerkbezoek het sterkst afgenomen bij de rooms-katholieken. In 1977 ging nog 58 procent minstens één keer per maand naar de kerk, in 2001 was dat nog 29 procent. Bij de Nederlands-hervormden daalde het aandeel maandelijkse kerkbezoekers minder. De gereformeerden blijven de trouwste kerkgangers: in 1977 ging 86 procent minstens eenmaal per maand naar de kerk, in 2001 was dat 66 procent.

Miriam van Baal

Bron: StatLine