Minder verkeersslachtoffers

3-1-2000 10:00

In 1998 vielen 7% minder verkeersdoden dan in 1997. Verder werden 8% minder verkeersslachtoffers opgenomen in een ziekenhuis. Het aantal slachtoffers dat voor spoedeisende hulp naar een ziekenhuis moest, daalde met ongeveer 3%.

Bij deze verkeersongevallen vielen er meer slachtoffers onder mannen dan onder vrouwen; het relatieve verschil wordt echter kleiner naarmate de ernst van het ongeval afneemt: van alle verkeersdoden was 72% een man, bij de ziekenhuisgewonden was dit aandeel 61% en bij de SEH-gewonden 56%.

Verkeersslachtoffers naar geslacht, 1998
0420g1.gif (4818 bytes)

Enkelvoudige verkeersongevallen

Bij 18% van de geregistreerde ongevallen is slechts één voertuig betrokken. Dit zijn de zogenaamde enkelvoudige ongevallen. Deze hebben een relatief zware afloop. Hierbij valt namelijk 34% van de verkeersdoden, 26% van de ziekenhuisgewonden en 17% van de overige gewonden.

Bij ruim de helft van de enkelvoudige ongevallen met letsel is een personenauto betrokken. Bij een kwart gaat het om langzaam verkeer.

De enkelvoudige ongevallen met personenauto’s leiden – gemiddeld over de jaren 1996-1998 – tot 293 doden en 1851 ziekenhuisgewonden per jaar. Dat is ruim driekwart van de verkeersdoden en bijna 60% van de ziekenhuisgewonden bij alle enkelvoudige ongevallen.

Jongeren en ouderen

Bijna 30% van de verkeersdoden is jonger dan 25 jaar. Bij de ziekenhuisgewonden is het aandeel van deze leeftijdsgroep ruim 35% en van de Spoedeisende Hulp-gewonden behoort bijna de helft van de slachtoffers tot deze jongere leeftijdscategorie. Dit beeld wordt in belangrijke mate veroorzaakt doordat jongeren meer zijn aangewezen op een kwetsbare wijze van verkeersdeelname (te voet, fiets of bromfiets). Dit is ook terug te zien in het aantal verkeersslachtoffers bij het langzame verkeer.

Kinderen tot 3 jaar die gewond raken in het verkeer, nemen meestal als passagier deel. Onder 3- tot 8-jarigen vormen voetgangers de grootste groep verkeersdoden. Tot 16 jaar neemt de jeugdige fietser de leiding over. Bij de 16- en 17-jarigen springt de bromfiets er scherp uit. Niet onverwacht, omdat voor deze jongeren de bromfiets een aantrekkelijk gemotoriseerd voertuig is.

Opvallend is verder de toename van het aantal slachtoffers van 12 tot 18 jaar dat valt vóór aanvang schooltijd (tussen 8 en 9 uur). Hetzelfde doet zich voor na afloop van schooltijd, maar dan meer gespreid. Voor de jongere kinderen (vanaf 2 jaar) is er alleen ‘s middags (15 tot 18 uur) een duidelijke piek. Mogelijk dat het spelen na schooltijd hier aan bijdraagt.

Verkeersdoden per 100 000 inwoners, 1998
0420g2.gif (5305 bytes)

Verhoudingsgewijs is het aandeel verkeersdoden onder 60-plussers hoog. In 1998 is ongeveer 18% van de Nederlandse bevolking 60 jaar of ouder. In deze categorie valt echter 25% van de verkeersdoden. Ouderen komen daarentegen relatief minder vaak door een verkeersongeval in een ziekenhuis (14%). Ook behoren ze minder vaak dan gemiddeld tot de categorie overige gewonden (9%).

De verbetering van de verkeersveiligheid onder de ouderen verloopt absoluut gezien overigens gunstiger dan bij de rest van de bevolking. Zo is het aantal verkeersdoden onder de 60-plussers ten opzichte van 1986 met een derde gedaald. Bij alle overige leeftijdscategorieën bedroeg deze daling 29%.

Huub Coninx

Bron: Verkeersongevallen 1998 (een gezamenlijke uitgave van CBS en de Adviesdienst Verkeer en Vervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat)