Bijmengverplichting

In de Nederlandse wetgeving is vastgelegd dat sinds 2007 een deel van het totale verbruik aan benzine en diesel voor vervoer uit hernieuwbare energie moet bestaan, de zogenaamde bijmengverplichting. In 2007 was de bijmengverplichting 2,5 procent. Dit loopt op tot 10 procent in 2020, om zo te voldoen aan de richtlijn Hernieuwbare Energie van de Europese Unie.
Bedrijven kunnen hun verplichting verdelen over de verschillende soorten: biobenzine en biodiesel. Niet in elke liter brandstof hoeft biobrandstof te zitten. Leverancier kunnen er voor kiezen om sommige batches volledig fossiel te laten zijn en in andere batches meer te doen. Ook kunnen ze de verplichting onderling verhandelen.
Sinds de introductie van de bijmengverplichting in 2007 was er discussie over hoe duurzaam deze biobrandstoffen werkelijk zijn. Voor de productie ervan is landbouwgrond nodig waarvoor soms bossen worden gekapt. Daarnaast concurreert de teelt van gewassen voor biobrandstoffen met die van voedingsgewassen om schaarse landbouwgrond waardoor de prijzen van voedsel kunnen stijgen. Dit heeft geleid tot aanscherping van de regelgeving vanaf 2015 over de bijmengplicht. Er zijn milieutechnisch betere biobrandstoffen ontwikkeld die dubbel mogen worden meegeteld in het verplichte percentage. Een voorbeeld daarvan is afgedankt frituurvet dat omgezet kan worden in (dubbeltellende) biodiesel. Het aandeel dubbeltellende brandstoffen is snel gestegen en bedraagt (na verrekening van de dubbeltelling) ruim 70 procent van het totaal in 2014.
Terug naar artikel