Monitor Arbeid, zorg en kinderopvang 2025

Over deze publicatie

In deze rapportage wordt verslag gedaan van de resultaten van de Monitor Arbeid, Zorg en Kinderopvang 2025. De Monitor Arbeid, Zorg en Kinderopvang wordt eens in de twee jaar uitgevoerd op verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). De informatie wordt verzameld middels een aantal vragenlijstblokken in één peiling van de Enquête beroepsbevolking (EBB).

Middels de module wordt informatie verzameld over het gebruik van verlof bij verschillende zorgsituaties en over het gebruik van kinderopvang. De cijfers uit het rapport, alsook meer gedetailleerde resultaten van de Module Arbeid, Zorg en Kinderopvang, zijn terug te vinden in de bijbehorende tabellenset.

1. Inleiding

In deze rapportage wordt verslag gedaan van de resultaten van de Monitor Arbeid, Zorg en Kinderopvang 2025. Hierbij zullen verschillende onderwerpen aan bod komen:

  • Het gebruik van verlof door werknemers met een langdurige/kortdurende zorgsituatie.
  • Het gebruik van ouderschapsverlof door werknemers met een kind jonger dan acht jaar.
  • Het gebruik van geboorteverlof door mannen met een pasgeboren kind.
  • Het gebruik van zwangerschapsverlof door vrouwen met een pasgeboren kind.
  • Het gebruik van verschillende vormen van kinderopvang door werkenden met een kind van twaalf jaar of jonger.
  • Ervaringen met het aanvragen van kinderopvangtoeslag.
  • Niet willen of kunnen werken vanwege zorgtaken, en de belangrijkste reden daarvoor.
  • Minder of niet meer willen werken vanwege zorgtaken, en de belangrijkste redenen daarvoor.
  • De mate waarin werknemers de mogelijkheid hebben tot thuiswerken en het zelf bepalen van de begin- en eindtijd van de werkdag.

Waar relevant zal een vergelijking worden gemaakt met verslagjaar 2023.

2. Data en methode

De Monitor Arbeid, Zorg en Kinderopvang wordt eens in de twee jaar uitgevoerd op verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). De informatie wordt verzameld middels een aantal vragenlijstblokken in één peiling van de Enquête beroepsbevolking (EBB). 

De vragenlijstmodule werd tot en met 2009 in de eerste peiling van de EBB face-to-face uitgevraagd, vanaf 2011 telefonisch in de derde peiling, en in 2021 telefonisch in de vijfde peiling. Bij de ontwikkelingen tussen 2009 en 2011 en tussen 2019 en 2021 kunnen dus ook effecten van wijziging in de waarneming meespelen. In 2021 is een volledig nieuw ontworpen EBB geïmplementeerd, terwijl de oude EBB werd uitgefaseerd. De vijfde peiling was in 2021 nog volledig beschikbaar volgens de oude methode en de monitor Arbeid, zorg en kinderopvang 2021 is in die peiling opgenomen om de oude reeks te kunnen voortzetten. In 2023 was de EBB volledig over op het nieuwe ontwerp en de nieuwe vragenlijst, en moest ook de monitor Arbeid, zorg en kinderopvang opgenomen worden in de herontworpen EBB. In de onderzoeksbeschrijving van de EBB staat beschreven welke wijzigingen er zijn doorgevoerd. 

De belangrijkste methodewijzigingen in 2023 waren voor deze monitor dat de vragenlijst ook via internet kan worden ingevuld en dat deze alleen door de persoon zelf wordt ingevuld. Voorheen was het een volledig telefonische vragenlijst en moesten de vragen ook voor een eventuele partner beantwoord worden. Ook zijn de teksten en volgorde van vragen in het reguliere deel van de vragenlijst gewijzigd waardoor de vragen over zorg en kinderopvang anders ingepast moesten worden. Omdat er door deze wijzigingen veranderingen in de uitkomsten te verwachten zijn, is ervoor gekozen om tegelijkertijd de door SZW gewenste wijzigingen in de vragenlijst door te voeren. De formulering van de vragen is aangepast, sommige onderdelen zijn verwijderd, en nieuwe onderdelen zijn toegevoegd, zoals vragen naar aanpassingen in het werk en meer uitgebreide vraagstelling naar redenen om geen gebruik te maken van verlofregelingen. Dat betekent dat de uitkomsten vanaf 2023 niet vergelijkbaar zijn met eerdere jaargangen. In deze rapportage worden de uitkomsten van 2025 daarom ook enkel vergeleken met 2023. Voor beschrijving van de eerdere jaren wordt verwezen naar de monitor Arbeid, zorg en kinderopvang 2021.

De uitkomsten in deze rapportage hebben grotendeels betrekking op werknemers (van 15 tot 75 jaar) omdat veel tabellen gaan over het gebruik van verlofregelingen die alleen van toepassing zijn op werknemers. Cijfers over kinderopvang gaan over alle werkenden van 15 tot 75 jaar.

Zie voor een gedetailleerd overzicht van de resultaten de tabellenset van de Module Arbeid, Zorg en Kinderopvang

3. Langdurige zorgsituaties en verlof

In dit hoofdstuk worden de resultaten met betrekking tot langdurige zorgsituaties en het gebruik en de behoefte aan verlof binnen dergelijke situaties beschreven. Deze cijfers hebben betrekking op een partner, kind, een familielid, vriend of bekende die door gezondheidsproblemen langer dan twee weken zorg of hulp nodig had.

In 2025 kregen in totaal 857 duizend werknemers van 15 tot 75 jaar te maken met een langdurige zorgsituatie, daarvan verleenden er 661 duizend (77 procent) ook zelf de zorg. In 2023 lag het aantal mensen dat te maken had met een langdurige zorgsituatie met 807 duizend nog iets lager, ook het aandeel dat daarvan zelf de zorg verleende lag iets lager (74 procent). De meeste zorgsituaties hebben betrekking op een ouder of schoonouder. Bij 344 duizend werknemers is dat het geval. Daarna volgt zorg voor een partner (167 duizend), zorg voor een familielid, vriend of een bekende (112 duizend) en een (stief- of pleeg-)kind (93 duizend).

Iets minder dan een kwart van de mensen die te maken hadden met een langdurige zorgsituatie heeft niet gezorgd. Bijna de helft daarvan wil wel zorgen en de andere helft wil niet of geeft geen antwoord op de vraag of men wel had willen zorgen. De belangrijkste reden om niet te zorgen is dat het niet nodig is vanwege voldoende hulp van anderen (174 duizend). Daarna geven 120 duizend werknemers aan dat het niet mogelijk is vanwege het werk, vaak vanwege drukte (46 duizend). Vervolgens wordt in vergelijkbare mate genoemd dat het financieel niet mogelijk is (63 duizend) of emotioneel of lichamelijk te zwaar is (57 duizend). Er zijn 41 duizend mensen niet bekend met regelingen en 28 duizend zeggen dat het mogelijk slecht zou zijn voor de carrière. Nog eens 54 duizend hebben een andere dan bovengenoemde redenen om niet te zorgen.

Aanpassingen in het werk

Bijna 42 procent van de werknemers (275 duizend) die in 2025 gezorgd hebben voor een langdurig zieke, deden daarvoor aanpassingen in hun werk. In 2023 was dit aandeel 40 procent. De meeste mensen die aanpassingen hebben gedaan (112 duizend) zijn (meer) gaan thuiswerken. Met 107 duizend werknemers zijn er ook relatief veel die op andere tijden of dagen zijn gaan werken. Minder uren gaan werken (62 duizend) is de eerstvolgende vaakst gemaakte aanpassing in het werk. Tijdelijk stoppen met werken (18 duizend) of van functie wisselen (14 duizend) komt minder vaak voor. Daarnaast zijn er ook nog 38 duizend werknemers die een andere aanpassing hebben gedaan. Werknemers kunnen overigens meerdere aanpassingen tegelijk hebben gedaan, waardoor het totaal aan aanpassingen hoger uitvalt dan het aantal werknemers dat een aanpassing heeft gedaan. 

Verlof opnemen

Ruim vier op de tien werknemers (292 duizend) die zorg verleenden bij een langdurige zorgsituatie, neemt hiervoor enige vorm van verlof op. Het aandeel mensen dat in 2025 verlof opnam om te zorgen bij een langdurige zorgsituatie is hiermee vrijwel vergelijkbaar met 2023. De meest gebruikte verlofsoort binnen langdurige zorgsituaties zijn vakantiedagen (161 duizend), daarna volgt het kortdurend zorgverlof (89 duizend). Langdurig zorgverlof wordt door 11 duizend werknemers gebruikt, calamiteiten- of kort verzuimverlof door 41 duizend. Bijzonder of buitengewoon verlof (27 duizend) en overig verlof (28 duizend) worden ongeveer evenveel gebruikt. Werknemers kunnen meerdere verlofsoorten combineren, waardoor het totaal aan verlofsoorten hoger uitvalt dan het aantal werknemers dat verlof nam. 

Ruim de helft van de werknemers die zorgen bij een langdurige zorgsituatie, nemen geen verlof op. Een groot deel krijgt al voldoende hulp van familie, vrienden of kennissen (130 duizend), thuiszorg of andere professionele hulp (90 duizend) of hulp van de partner (46 duizend). Er geven 37 duizend werknemers aan dat het niet mogelijk is vanwege het werk, vooral vanwege drukte (18 duizend), 33 duizend werknemers zijn niet bekend met de regelingen, voor 16 duizend is het financieel niet mogelijk en 9 duizend geven aan dat het mogelijk slecht zou zijn voor de carrière. Een grote groep (139 duizend) heeft een andere reden om geen verlof op te nemen. Van de werknemers die enkel een andere reden noemen om geen verlof op te nemen geeft 41 procent aan dat zij wel behoefte hebben aan verlof.

Het gebruik van verlof verschilt per zorgvrager, zorgsituatie of eigen arbeidssituatie. Bij mensen die langdurige zorg verlenen aan een kind wordt door iets meer dan de helft (51 procent) verlof opgenomen, bij zorg voor een partner neemt 53 procent verlof op. Bij een ouder is het 43 procent. Bij een overig familielid, vriend of bekende was het 31 procent. Ook wordt er vaker gebruikgemaakt van verlof bij palliatieve zorg of stervensbegeleiding (53 procent) dan bij een chronische aandoening of beperking (44 procent), tijdelijke ziekte of beperking (45 procent) en andere gezondheidsproblemen of ouderdom (40 procent). Voltijdswerkenden gebruiken vaker verlof bij een langdurige zorgsituatie (50 procent) dan deeltijders (38 procent).

3.1 Werknemers (15 tot 75 jaar) die zorg verlenen in een langdurige zorgsituatie, 2025
 Verlof opgenomen (x 1000)Geen verlof opgenomen (x 1000)Onbekend (x 1000)
Zorg voor
Kind (of stief- of pleegkind47451
Partner89752
Ouder of schoonouder1481932
Familie, vriend of bekende35761
Type aandoening
Tijdelijke ziekte of beperking851051
Chronische aandoening of beperking831022
Palliatieve zorg of stervensbegeleiding47402
Ander gezondheidsprobleem of ouderdom671011
Arbeidsduur
Deeltijd1332094
Voltijd1591542

4. Kortdurende zorgsituaties en verlof

In dit hoofdstuk worden de resultaten met betrekking tot kortdurende zorgsituaties en het gebruik en de behoefte aan verlof binnen dergelijke situaties beschreven. Deze cijfers hebben betrekking op een partner, kind, een familielid, vriend of bekende die door gezondheidsproblemen korter dan twee weken zorg of hulp nodig had. Bijvoorbeeld vanwege een plotselinge ziekte, een ongeval of een ziekenhuisopname.

In 2025 kregen in totaal 765 duizend werknemers van 15 tot 75 jaar te maken met een kortdurende zorgsituatie, daarvan verleenden er 616 duizend (81 procent) ook zelf de zorg. In 2023 waren deze aantallen en aandelen vergelijkbaar. De meeste kortdurende zorgsituaties hebben betrekking op een (stief- of pleeg-)kind. Bij 229 duizend werknemers is dat het geval. Daarna volgt zorg voor een ouder (166 duizend), partner (149 duizend) en zorg voor een familielid, vriend of een bekende (72 duizend).

Bijna twee op de tien hebben niet gezorgd (149 duizend), 54 procent daarvan wil wel zorgen. De belangrijkste reden om niet te zorgen is dat het niet nodig is vanwege voldoende hulp van anderen (132 duizend). Daarna geven 95 duizend werknemers aan dat het niet mogelijk is vanwege het werk, vooral vanwege drukte (37 duizend). Vervolgens wordt ongeveer even vaak genoemd dat het financieel niet mogelijk is (31 duizend) of dat men niet bekend is met regelingen (29 duizend). Ook wordt ongeveer even vaak genoemd dat het emotioneel of lichamelijk te zwaar is of dat het mogelijk slecht zou zijn voor de carrière (beide 23 duizend). Tot slot geven 44 duizend werknemers een andere reden dan bovengenoemde.

Aanpassingen in het werk

Ruim 47 procent (293 duizend) van de werknemers die gezorgd hebben voor een kortdurend zieke, deden daarvoor aanpassingen in hun werk. In 2023 was dit aandeel 44 procent. De meeste mensen die aanpassingen hebben gedaan (174 duizend) zijn (meer) gaan thuiswerken. Met 138 duizend werknemers zijn er ook relatief veel die op andere tijden en/of dagen zijn gaan werken. Daarnaast zijn er ook nog 43 duizend die een andere aanpassing hebben gedaan. Werknemers kunnen meerdere aanpassingen tegelijk hebben gedaan, waardoor het totaal aan aanpassingen hoger uitvalt dan het aantal werknemers dat een aanpassing heeft gedaan. 

Verlof opnemen

Bijna 38 procent van de werknemers die in 2025 zorg verleenden bij een kortdurende zorgsituatie, nam hiervoor enige vorm van verlof op. In 2023 was dit aandeel bijna 35 procent. De meest gebruikte verlofsoort binnen kortdurende zorgsituaties zijn vakantiedagen (103 duizend), daarna volgt het kortdurend zorgverlof (82 duizend). Calamiteiten- of kort verzuimverlof (41 duizend) wordt iets vaker gebruikt dan bijzonder of buitengewoon verlof (16 duizend) en overig verlof (17 duizend). Langdurig zorgverlof wordt door 2 duizend werknemers gebruikt. Werknemers kunnen meerdere verlofsoorten combineren, waardoor het totaal aan verlofsoorten hoger uitvalt dan het aantal werknemers dat verlof neemt. In 2025 maakten werknemers in vergelijking met 2023 vaker gebruik van kortdurend zorgverlof (35 tegenover 31 procent) en calamiteiten- of kortdurend zorgverlof (18 tegenover 15 procent), en minder vaak van vakantiedagen (44 tegenover 51 procent) en bijzonder- of buitengewoon verlof (7 tegenover 10 procent).

Ruim zes op de tien werknemers die zorgen bij een kortdurende zorgsituatie, nemen geen verlof op. Een groot deel doet dit niet omdat ze al voldoende hulp krijgen van familie, vrienden of kennissen (104 duizend), partner (52 duizend) of thuiszorg of andere professionele hulp (38 duizend). 48 duizend werknemers geven aan dat het niet mogelijk is met het werk, vooral vanwege drukte (27 duizend), 34 duizend werknemers zijn niet bekend met de regelingen, voor 17 duizend is het financieel niet mogelijk en 13 duizend geven aan dat het mogelijk slecht zou zijn voor de carrière. Een grote groep (170 duizend) heeft een andere reden om geen verlof op te nemen. Van de werknemers die enkel een andere reden noemen om geen verlof op te nemen, geeft 46 procent aan dat zij echter wel behoefte hadden aan verlof.

Het gebruik van verlof bij kortdurende zorgsituaties verschilt per zorgvrager en eigen arbeidssituatie. Bij mensen die kortdurende zorg verlenen aan een eigen kind gaat het om 46 procent, bij de partner 40 procent. Bij een ouder is het 33 procent. Bij een overig familielid, vriend of bekende is het met 17 procent wel wat minder. Voltijdswerkenden gebruiken vaker verlof bij een kortdurende zorgsituatie (41 procent) dan deeltijders (35 procent).

4.1 Werknemers (15 tot 75 jaar) die zorg verlenen in een kortdurende zorgsituatie, 2025
 Verlof opgenomen (x 1000)Geen verlof opgenomen (x 1000)Onbekend (x 1000)
Zorg voor
Kind (of stief- of pleegkind)1061212
Partner60881
Ouder of schoonouder561092
Familie, vriend of bekende13591
Arbeidsduur
Deeltijd1182113
Voltijd1161662

5. Gebruik en behoefte ouderschapsverlof

In dit hoofdstuk worden de resultaten met betrekking tot het gebruik van ouderschapsverlof beschreven. Is de respondent werknemer en zijn er kinderen jonger dan acht jaar in het huishouden, dan krijgt de respondent vragen over het gebruik van ouderschapsverlof. Het gaat daarbij om het gebruik in het afgelopen jaar. Heeft men eerder in de vragenlijst aangegeven dat men in de referentieweek niet heeft gewerkt i.v.m. ouderschapsverlof, dan wordt dit niet opnieuw gevraagd en direct meegeteld als gebruik van ouderschapsverlof. In 2025 waren er bijna 1,3 miljoen werknemers van 15 tot 75 jaar met kinderen jonger dan acht jaar.

Aanpassingen in het werk

Van de werknemers met kinderen jonger dan acht jaar heeft in de afgelopen twaalf maanden 40 procent iets aangepast in zijn of haar werk (anders dan het opnemen van ouderschapsverlof) om voor de kinderen te zorgen, vrouwen iets vaker (41 procent) dan mannen (39 procent). Mannen zijn vooral (meer) gaan thuiswerken (91 duizend) en op andere tijden of dagen gaan werken (75 duizend). Vrouwen zijn met name minder uren gaan werken (112 duizend) en op andere tijden of dagen gaan werken (80 duizend). Het aandeel werknemers dat iets heeft aangepast in zijn of haar werk is gedaald ten opzichte van 2023 (44 procent). In vergelijking met 2025 waren in dat jaar werknemers vaker gaan thuiswerken of op andere dagen of tijden gaan werken om voor de kinderen te kunnen zorgen.

5.1 Werknemers (15 tot 75 jaar) met kinderen jonger dan acht jaar naar aanpassingen in het werk in het afgelopen jaar, 2025
 Mannen (%)Vrouwen (%)
(Meer) thuiswerken14,810,4
Andere tijden/dagen gaan werken12,112,4
Minder uren gaan werken11,317,4
(Ander) verlof opgenomen9,47,6
Van baan of functie gewisseld2,24,4
Tijdelijk gestopt met werken0,81,4
Anders2,21,9
Geen58,857,1

Een derde van de werknemers met kinderen jonger dan acht jaar maakte in het afgelopen jaar gebruik van ouderschapsverlof. In 2023 was dit nog 30 procent. Vrouwen maken naar verhouding iets vaker (35 procent) dan mannen (33 procent) gebruik van ouderschapsverlof. Er is gevraagd naar redenen om geen ouderschapsverlof te gebruiken, maar voor 56 procent blijft die reden onbekend (435 duizend), vooral omdat er blijkbaar geen passende antwoordcategorie was. De meest genoemde reden van de beschikbare antwoordcategorieën is bij zowel mannen als vrouwen dat het ouderschapsverlof al opgebruikt is (in totaal 183 duizend). Daarna volgt dat het financieel niet mogelijk is (96 duizend), dat het niet kan vanwege het werk (67 duizend) en dat men niet bekend is met de regelingen (65 duizend). Van de werknemers die enkel een andere reden noemden om geen ouderschapsverlof op te nemen, geeft 30 procent aan dat zij wel behoefte hebben aan verlof.

Het gebruik van ouderschapsverlof in de afgelopen twaalf maanden bij werknemers met kinderen jonger dan acht jaar varieert naar onderwijsniveau. Werknemers met een diploma op niveau basisonderwijs, vmbo of mbo1 (15 procent) nemen naar verhouding minder vaak ouderschapsverlof op dan werknemers met een havo-, vwo- of mbo 2-4-diploma (29 procent) en werknemers met een hbo- of wo-diploma (39 procent). Het gebruik van ouderschapsverlof is het grootst bij mannen en vrouwen in een grote deeltijdbaan. Bij een arbeidsduur van 24 tot 35 uur per week maakt 46 procent van de mannelijke werknemers met kinderen jonger dan acht jaar gebruik van ouderschapsverlof en bij vrouwen is dat 39 procent. Bij voltijdswerkenden zijn het juist de vrouwen die vaker ouderschapsverlof gebruiken, 34 procent tegenover 29 procent bij mannen. 

5.2 Werknemers (mannen, 15 tot 75 jaar) met kinderen jonger dan acht jaar naar gebruik ouderschapsverlof in het afgelopen jaar, 2025
 Ouderschapsverlof opgenomen (x 1000)Geen ouderschapsverlof opgenomen (x 1000)Onbekend (x 1000)
Arbeidsduur
0 tot 24 uur281
24 tot 35 uur64741
35 uur of meer1393335
Onderwijsniveau
Basisonderwijs, vmbo, mbo112651
Havo, vwo, mbo2-4681424
Hbo, wo1242062
Onbekend130

5.3 Werknemers (vrouwen, 15 tot 75 jaar) met kinderen jonger dan acht jaar naar gebruik ouderschapsverlof in het afgelopen jaar, 2025
 Ouderschapsverlof opgenomen (x 1000)Geen ouderschapsverlof opgenomen (x 1000)Onbekend (x 1000)
Arbeidsduur
0 tot 24 uur28895
24 tot 35 uur1532385
35 uur of meer46872
Onderwijsniveau
Basisonderwijs, vmbo, mbo16344
Havo, vwo, mbo2-4521405
Hbo, wo1692384
Onbekend010

Ouders met een achtjarig kind

Door aan ouders met een achtjarig kind te vragen of zij de afgelopen twaalf maanden gebruik hebben gemaakt van een ouderschapsverlofregeling of hier ooit gebruik van hebben gemaakt, wordt het totale gebruik van ouderschapsverlofregelingen binnen de doelgroep in beeld gebracht. In 2025 heeft in totaal 46 procent van de ouders met een jongste kind van acht jaar gebruikgemaakt van ouderschapsverlof. Bij de vrouwen (53 procent) is deze groep iets groter dan bij de mannen (38 procent). In 2023 lagen deze percentages wat lager.

5.4 Werknemers (15 tot 75 jaar) met een achtjarig kind naar gebruik van een ouderschapsverlofregeling
 Totaal (%)Mannen (%)Vrouwen (%)
202341,435,748,3
202545,93853,4

6. Gebruik geboorteverlof bij mannen

In dit hoofdstuk worden de resultaten met betrekking tot het gebruik van geboorteverlof beschreven. Is de respondent een man, werkt hij als werknemer en zijn er kinderen jonger dan één jaar in het huishouden, dan wordt gevraagd of hij na de geboorte van het kind geboorteverlof heeft opgenomen.

Sinds 1 januari 2019 krijgen partners eenmalig het aantal werkuren per week aan geboorteverlof. De werkgever betaalt het loon tijdens dit verlof volledig door. De werknemer kan de verlofdagen van het geboorteverlof naar eigen inzicht opnemen, maar moet dit wel doen binnen vier weken na de geboorte van het kind. Sinds 1 juli 2020 kunnen partners maximaal vijf weken (vijf keer het aantal werkuren per week) aanvullend geboorteverlof opnemen. Tijdens het verlof krijgt de partner geen salaris, maar een uitkering van het UWV. Zij moeten het aanvullend geboorteverlof opnemen binnen zes maanden na de geboorte van het kind. 

In 2025 heeft ruim 92 procent van de 124 duizend mannelijke werknemers met een kind jonger dan een jaar geboorteverlof opgenomen in het afgelopen jaar, iets meer dan in 2023 (90 procent). De helft van de mannelijke werknemers die in 2025 geboorteverlof op hebben genomen maakte er voor de volledige zes weken gebruik van. 11 procent nam niet meer dan één week aan geboorteverlof op.

Het verlof in de eerste week wordt door 91 procent in één keer opgenomen. Het verlof in de tweede tot en met de zesde week wordt door 38 procent in één keer opgenomen. De eerste week is verplicht volledig betaald. Bij bijna drie op de tien wordt het salaris in de volgende weken volledig doorbetaald. Iets minder dan de helft (49) procent geeft aan dat er minder dan 70 procent wordt doorbetaald. Bij 80 procent van deze vaders is ook de partner aanwezig op de dagen van het geboorteverlof. 

7. Verlof bij vrouwen die een kind hebben gekregen

In dit hoofdstuk worden de resultaten beschreven met betrekking tot zwangerschapsverlof, bevallingsverlof en geboorteverlof bij vrouwelijke werknemers met een kind jonger dan één jaar in het huishouden.

In 2025 hadden 92 duizend vrouwelijke werknemers van 15 tot 75 jaar met een kind jonger dan één jaar zwangerschaps- en/of bevallingsverlof opgenomen. Daarnaast hebben nog eens 6 duizend vrouwelijke werknemers gebruikgemaakt van geboorteverlof bedoeld voor partners van de vrouw die bevalt. Deze aantallen liggen iets hoger dan in 2023. Van de vrouwen met bevallingsverlof neemt 2 procent extra verlof op vanwege het bevallen van een meerling. Verder heeft 3 procent van deze vrouwen extra bevallingsverlof omdat het kind langer dan een week in het ziekenhuis verbleef. Van de jonge moeders met bevallingsverlof heeft 13 procent gebruikgemaakt van de mogelijkheid om de laatste weken in delen op te nemen. 36 procent was wel op de hoogte van die mogelijkheid maar maakte er geen gebruik van en de rest (48 procent) was niet op de hoogte. 

8. Gebruik van verschillende vormen van kinderopvang

In dit hoofdstuk worden de resultaten met betrekking tot het gebruik van kinderopvang beschreven. Het gaat daarbij om opvang op de momenten waarop de persoon aan het werk is en de kinderen niet op school zitten. In tegenstelling tot voorgaande hoofstukken gaat het bij gebruik van opvang niet alleen om werknemers, maar om alle werkenden (incl. zelfstandigen). Binnen kinderopvang wordt een onderscheid gemaakt tussen formele kinderopvang en informele kinderopvang. Bij formele kinderopvang gaat het vaak om commerciële bedrijven, zoals het kinderdagverblijf, de buitenschoolse opvang en de gastouderopvang. Op deze vormen van kinderopvang (en hiermee vergelijkbare vormen, zoals een betaalde oppas) is de Wet Kinderopvang van toepassing en bij het gebruik van deze vormen komt men (mogelijk) in aanmerking voor kinderopvangtoeslag. Bij informele opvang gaat het bijvoorbeeld om de peuterspeelzaal of kinderopvang door familie of vrienden. Dit hoeft niet per se betaalde opvang te zijn. Informele vormen van kinderopvang vallen niet onder de Wet Kinderopvang, hiervoor kan men dus geen kinderopvangtoeslag ontvangen.

Vormen van opvang

Bij zowel mannen als vrouwen is een combinatie van opvang door de partner, een onbetaalde oppas en formele opvang de meest voorkomende combinatie van de verschillende vormen van kinderopvang (zie figuur 7.1 en 7.2). Het gebruik van deze afzonderlijke vormen van opvang lag in 2025 ook wat hoger dan in 2023  De situatie waarbij de zorg enkel gedragen wordt door de partner, komt relatief vaker voor bij  mannen dan bij vrouwen.

8.1 Gebruik van verschillende combinaties van kinderopvang door werkende mannen met kinderen van twaalf jaar of jonger, 2025
(x 1000)
Partner, onbetaalde oppas en formele opvang278
Enkel partner269
Partner en formele opvang248
Partner en onbetaalde oppas165
Enkel formele opvang33
Enkel onbetaalde oppas21
Onbetaalde oppas en formele opvang19
Partner, betaalde oppas en formele opvang10
Partner en betaalde oppas7
Partner, betaalde oppas, onbetaalde oppas en formele opvang5
Overige combinaties8
Geen van deze opvangvormen94

8.2 Gebruik van verschillende combinaties van kinderopvang door werkende vrouwen met kinderen van twaalf jaar of jonger, 2025
(x 1000)
Partner, onbetaalde oppas en formele opvang184
Partner en formele opvang179
Enkel partner142
Onbetaalde oppas en formele opvang129
Partner en onbetaalde oppas114
Enkel formele opvang110
Enkel onbetaalde oppas87
Partner, betaalde oppas en formele opvang8
Betaalde oppas en onbetaalde oppas6
Partner, betaalde oppas, onbetaalde oppas en formele opvang5
Overige combinaties13
Geen van deze opvangvormen148

Dagen en uren informele opvang

Bij de werkenden waarvan de partner of andere ouder een of meerdere dagen voor de kinderen zorgt als de persoon zelf aan het werk is, gaat het bij 39 procent om één dag en bij 27 procent om twee dagen in de week. Wordt er gebruikgemaakt van een onbetaalde oppas, dan is dat ook in de meeste gevallen voor één dag per week (57 procent). Maar ook twee dagen komt hier relatief vaak voor (31 procent). 

Redenen voor het afnemen van meer uren aan kinderopvang

Aan werknemers die gebruikmaken van formele opvang, is gevraagd of ze in de afgelopen twaalf maanden meer uren zijn gaan afnemen bij het kinderdagverblijf, de buitenschoolse opvang of de gastouder. Bij 226 duizend werkenden is dat inderdaad het geval, tegenover 978 duizend die dat niet doen. In 2025 was de meest genoemde reden om meer uren aan kinderopvang op te nemen dat er meer van de eigen kinderen naar de opvang gingen. Wel werd deze reden in 2025 minder vaak vaker genoemd dan in 2023. In 2025 werd juist vaker genoemd dat een andere opvangvorm wegviel.

8.3 Werkenden (15 tot 75 jaar) met kinderopvang naar redenen voor het afnemen van meer uren in de afgelopen twaalf maanden, 2025
(%)
Meer kinderen naar opvang21,9
Meer uren gaan werken17,1
Andere opvang viel weg16,1
Kind was er aan toe14,8
Partner meer uren gaan werken12,5
Er kwam plek vrij op de opvang10
Andere veranderingen bij de opvang2,7
Veranderingen op school1,9
Andere reden22,1

Ervaringen met het aanvragen van kinderopvangtoeslag

Werkenden die gebruikmaken van formele vormen van kinderopvang (zoals een kinderdagverblijf, de buitenschoolse opvang of de gastouderopvang), komen veelal in aanmerking voor kinderopvangtoeslag. In 2025 ontving in totaal 91 procent van de werkenden met kinderen van twaalf jaar en jonger die gebruik maken van formele opvang kinderopvangtoeslag.

Van de werkenden die kinderopvangtoeslag ontvangen, geeft 60 procent aan dat zij goed op de hoogte zijn van de hoogte van deze toeslag, en nog eens 31 procent geeft aan dit ongeveer te weten terwijl 8 procent de hoogte van de kinderopvangtoeslag niet weet. Van de werkenden met kinderen van twaalf jaar en jonger die formele opvang gebruiken maar die geen kinderopvangtoeslag ontvangen, geeft 22 procent aan dat zij een andere subsidie of bijdrage ontvangen voor kinderopvang, tegenover 73 procent die een dergelijke subsidie of bijdrage niet ontvangen.

Bijna zes op de tien van de werkenden met kinderen van twaalf jaar en jonger met formele opvang gaven in 2025 aan dat zij het (heel) makkelijk vonden om kinderopvangtoeslag aan te vragen. 9 procent vindt dit (heel) moeilijk. Een verandering in de werk- of leefsituatie doorgeven aan de Belastingdienst wordt ook door zes op de tien van de werkenden die een dergelijke verandering hebben doorgegeven als (heel) makkelijk beschouwd, 14 procent vind dit (heel) moeilijk. De rest vind het niet moeilijk maar ook niet makkelijk of gaf geen antwoord. Ten slotte krijgt 86 procent van de werkenden die moeite ondervinden bij het aanvragen van kinderopvangtoeslag of het doorgeven van een verandering hierbij geen hulp.

De meerderheid van de werkende mannen en vrouwen geeft aan dat de hoogte van de kinderopvangtoeslag geen invloed heeft op het aantal uren dat zij werken. Mannen antwoorden dit nog iets vaker dan vrouwen (76 procent tegenover 66 procent).

9. Niet werken of meer/minder willen werken in verband met zorgtaken

Dit hoofdstuk beschrijft de redenen om vanwege zorg niet te werken of om meer of minder uren te werken. In 2025 gaven 212 duizend personen aan dat zij niet wilden of konden werken vanwege zorg voor familie of gezin. In 2023 ging dit nog om 190 duizend personen. Vooral vrouwen geven vaak aan dat zij niet wilden of konden werken vanwege zorgtaken (184 duizend). De vaakst genoemde reden voor personen om niet te willen of kunnen werken vanwege zorgtaken wis dat men de zorg in kwestie op het moment nog zelf wil uitvoeren. Ook wordt relatief vaak genoemd dat het te zwaar is om te werken (in combinatie met de zorgtaken).

9.1 Personen (15 tot 75 jaar) die niet werken vanwege zorg naar belangrijkste reden, 2025
(%)
Wilt op het moment
nog zelf zorgen
32,9
Te zwaar13,4
Partner, familie of vrienden
kunnen niet (meer) helpen
5,5
Zorgbehoevende wil alleen
door OP geholpen worden
4,7
Schooltijden sluiten
niet aan bij werktijden
2
(Dag)opvang of zorg is te duur1,6
Geen goede (dag)opvang
of zorg in de buurt
0,6
(Dag)opvang of zorgvoorzieningen
hebben onvoldoende plek
0,4
Andere reden24,3
Onbekend14,7

Minder willen werken vanwege zorg

In 2025 wilden 206 duizend personen minder werken vanwege zorg voor familie of gezin. Van hen geeft 29 procent aan dat het financieel niet mogelijk is om minder te gaan werken, en nog eens 23 procent geeft aan dat het niet kan vanwege het werk. Wanneer wordt doorgevraagd waarom dit niet kan vanwege het werk, dan wordt het vaakst als reden genoemd dat het te druk is op het werk. Het aantal genoemde redenen is hoger dan het totaal aantal werknemers omdat men meerdere redenen kan opgeven.

9.2 Werkenden (15 tot 75 jaar) die minder willen werken vanwege zorg naar belangrijkste reden om dit niet te doen, 2025
(%)
Financieel niet mogelijk29,1
Kon niet vanwege werk22,9
Nu nog niet nodig15,4
Nog voldoende verlof10
Mogelijk slecht voor carrière4,4
Andere reden15,2
Onbekend3

Meer willen werken, maar dat niet doen vanwege zorg

In totaal willen 57 duizend personen meer uren werken, maar doen dat niet vanwege zorg voor hulpbehoevende kinderen en/of volwassenen. De vaakst genoemde reden hiervoor is ook in dit geval dat men de zorg zelf nog wil uitvoeren (31 procent). Ook wordt relatief vaak genoemd dat (dag)opvang of zorg te duur is (15 procent). In 2023 werd vaker dan in 2025 als reden genoemd dat het te zwaar was om naast de zorgtaken meer te gaan werken, of dat schooltijden niet aansluiten bij werktijden, terwijl in 2025 juist vaker werd genoemd dat (dag)opvangen of zorgvoorzieningen onvoldoende plek hadden. Ook werd in 2025 vaker een andere reden gegeven.

9.3 Werkenden (15 tot 75 jaar) die meer willen werken, maar dit niet doen vanwege zorg voor familie of gezin naar belangrijkste reden, 2025
(%)
Wilt op het moment nog zelf zorgen31,2
(Dag)opvang of zorg is te duur14,8
Partner, familie of vrienden kunnen niet (meer) helpen9,8
(Dag)opvang of zorgvoorzieningen hebben onvoldoende plek5,9
Te zwaar5,8
Schooltijden sluiten niet aan bij werktijden4
Zorgbehoevende wil alleen door OP geholpen worden3
Geen goede (dag)opvang of zorg in de buurt2,5
Andere reden19,2
Onbekend3,9

10. Ervaren mogelijkheden tot thuiswerken en werktijden bepalen

In dit hoofdstuk worden de ervaren mogelijkheden tot thuiswerken en het zelf kunnen bepalen van werktijden beschreven. In 2025 gaf 56 procent van de werknemers aan dat zij de mogelijkheid hebben om zelf de dagelijkse of wekelijkse tijdstippen te bepalen waarop zij werken en 55 procent gaf aan dat zij de mogelijkheid hebben om thuis te werken. Dit is vrijwel even vaak als in 2023.

Werknemers met een diploma op hbo- of wo-niveau hebben naar eigen zeggen het vaakst mogelijkheden om thuis te werken (82 procent) of om zelf de begin- en eindtijd van de werkdag te bepalen (75). Voor werknemers met een diploma op niveau basisonderwijs, vmbo of mbo1 is vooral de mogelijkheid om een deel van de tijd thuis te werken beperkt, namelijk 20 procent tegenover 43 procent bij werknemers met een diploma op niveau havo, vwo of mbo2-4. Als het aankwam op de mogelijkheid om zelf de begin- en eindtijd van de werkdag te bepalen, dan is het verschil kleiner (37 procent 47 procent). Van de werknemers met een arbeidsduur van minder dan 24 uur per week heeft 23 procent de mogelijkheid om een deel thuis te werken, tegenover 56 procent bij werknemers met een grote deeltijdbaan en 67 procent bij voltijdswerkenden. Wel heeft 44 procent bij een kleine deeltijdbaan de mogelijkheid om zelf de begin- en eindtijd van de werkdag te bepalen, tegenover 51 bij een grote deeltijdbaan en 65 procent bij voltijdswerkenden.

10.1 Werknemers (15 tot 75 jaar) naar mogelijkheid tot thuiswerken en flexibele tijden, 2025
 Mogelijkheid om een deel thuis te werken (%)Mogelijkheid om zelf de begin- en eindtijd van de werkdag te bepalen (%)
Totaal54,756,4
Arbeidsduur
0 tot 24 uur22,543,6
24 tot 35 uur56,351,4
35 uur of meer67,364,9
Onderwijsniveau
Basisonderwijs, vmbo, mbo119,836,6
Havo, vwo, mbo2-442,646,4
Hbo, wo82,475,1
Onbekend30,631,6

11. Bijlagen

Bijlage 1: Tabellenset

Tabellenset: Monitor Arbeid, Zorg en Kinderopvang 2025