Wegtypeverdeling voor vrachtvoertuigen en personenauto’s

4. Beperkingen, conclusie en aanbevelingen

4.1 Beperkingen onderzoek

Aangezien het invullen van een enquête mensenwerk is, kan niet voorkomen worden dat er (deel)ritten missen. Ook is niet altijd de begin- en eindlocatie op postcode 6 niveau beschikbaar. Bij de wegvervoer-enquête is bij ongeveer 60 procent het laagste niveau van de laad- en/of loslocatie postcode 4 of ligt de laad- en/of loslocatie in het buitenland waardoor de grensovergang waarschijnlijk goed te bepalen is. Bij ODiN is meer dan 90 procent van de herkomst- én bestemmingslocatie op postcode 6 niveau.

Voor de berekening van de emissies is het nodig om alle kilometers die binnen Nederland zijn afgelegd te verdelen over verschillende wegtypen. Dit onderzoek richt zich alleen op de ritten en verplaatsingen van Nederlandse voertuigen binnen Nederland. Aangenomen wordt dat de verdeling van de kilometers die buitenlandse vervoerders en personen binnen Nederland afleggen, vergelijkbaar is met de verdeling van de kilometers die Nederlandse voertuigen binnen Nederland afleggen.

Op basis van de enquêtes is alleen de herkomst- en bestemmingslocatie bekend. Hoe de route daadwerkelijk is afgelegd is niet bekend. Er wordt aangenomen dat de met de routeplanner berekende route de afgelegde route is. Hierbij wordt de snelste route optie gebruikt.

De gegevens zijn gebaseerd op een steekproef. Bij de wegvervoer-enquête betreft het een steekproef van voertuigen en bij ODiN een steekproef van personen. Het is dus geen integrale data.

Er is aangenomen dat de deelritten uit de wegvervoer-enquête representatief zijn voor alle ritten. Waarschijnlijk klopt dit niet helemaal omdat er een onderdekking is van lege ritten (zonder lading), bijvoorbeeld van de rustplaats/standplaats naar het eerste laadadres of vanaf de laatste losplaats naar de rustplaats/standplaats. Het betreft alleen ritten/verplaatsingen binnen Nederland die uitgevoerd zijn door Nederlandse bedrijven en personen. Informatie over ritten en verplaatsingen door buitenlandse personen en bedrijven ontbreekt.

Op basis van de ritten uit ODiN is er een wegtypeverdeling bepaald voor personenauto’s en bestelauto’s. Het betreft een steekproef van personen (en niet van voertuigen) waardoor het aandeel ritten dat met een personenauto is afgelegd, een stuk groter is dan het aandeel dat met bestelauto afgelegd is. Hoewel bij het meten van de dagelijkse mobiliteit in ODiN ook beroepsmatige verplaatsingen meegenomen worden, zullen personen die op de invuldag veel beroepsmatige verplaatsingen maken, vanwege de hoeveelheid werk, minder geneigd zijn om de enquête in te vullen. Daarnaast zijn voor dit onderzoek ritten met meerdere achtereenvolgende beroepsmatige verplaatsingen uitgesloten, denk bijvoorbeeld aan verplaatsingen van een pakketbezorger. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat bestelauto’s in bezit van bedrijven ondervertegenwoordigd zijn in de data en dat het type bestelautoverplaatsingen selectief is.

Om de wegtypeverdeling van de personenauto’s op basis van ODiN uit te splitsen naar technische kenmerken van het voertuig, zijn alleen de ritten meegenomen die uitgevoerd zijn door iemand uit een huishouden met maar één auto. Hierdoor mist de verdeling van ritten die uitgevoerd zijn door huishoudens met meer auto’s.

4.2 Conclusies en aanbevelingen

In dit onderzoek zijn de ritten van verschillende voertuigtypen over het wegennet geprojecteerd, om zo inzicht te krijgen in de typen wegen waarop deze voertuigen hebben gereden. Per voertuigsoort konden de kilometers verdeeld worden naar maximumsnelheidscategorie (stad, buitenweg en snelweg). Hiermee verschilt dit onderzoek met eerder onderzoek van TNO waarbij, voor de drie verschillende wegtypes, wegen geselecteerd werden waarop met een beperkt aantal camera’s het aantal en typen voertuigen gescand werd. Door meting op één punt op de weg was alleen bekend wat de verdeling van de voertuigsoorten was op het punt waar de camera stond, maar niet wat per voertuig de verdeling was over de verschillende wegtypes. 

Door de routes uit de wegvervoer-enquête en uit ODiN zowel op het NWB als op het OSM te leggen kon er tevens een vergelijking gemaakt worden van de verdeling naar maximumsnelheden tussen deze twee bronnen. Uit de resultaten blijkt dat er weinig verschil zit tussen de verdeling van de kilometers op basis van OSM en op basis van het NWB waardoor geconcludeerd kan worden dat de kwaliteit van de maximumsnelheden van de benodigde wegvakken van beide vergelijkbaar is. Het maakt dan ook niet uit welke bron gebruikt wordt om de wegtypeverdeling te bepalen. Zoals eerder beschreven wordt de maximumsnelheid in beide bronnen op een andere manier gevuld. De gegevens in OSM zullen naar verwachting actueler zijn, omdat deze bron real-time wordt aangevuld door mensen die informatie doorgeven over bijvoorbeeld de maximumsnelheid. Het NWB bevat informatie over wegen binnen Nederland, maar is niet ontworpen om als routenetwerk te gebruiken. Deze bron wordt gevuld door overheden en wordt eens per jaar binnen het CBS nog voorbewerkt om als routenetwerk te kunnen gebruiken. OSM is in tegenstelling tot het NWB ontworpen als een routenetwerk en heeft geen voorbewerkingen nodig. OSM bevat vergeleken met het NWB actuelere informatie, heeft geen voorbewerkingen nodig en is ontworpen als routenetwerk. Daarom wordt aanbevolen om de wegtypeverdeling te baseren op OSM.

Hoewel dit onderzoek beperkingen kent (zie paragraaf 4.1), wijzen de resultaten op consistente en logische patronen. Trekkers voor oplegger leggen gemiddeld grotere afstanden af en rijden een groter aandeel van hun kilometers op de snelweg dan bijvoorbeeld vrachtauto’s en personenauto’s. Nieuwe voertuigen rijden relatief vaker op snelwegen dan oudere voertuigen. Daarnaast is het aandeel snelwegkilometers over het algemeen hoger bij ritten met zwaardere voertuigen dan bij ritten met lichtere voertuigen. 

Wanneer voor vrachtauto’s, trekkers voor oplegger en speciale voertuigen de wegtypeverdeling wordt bekeken naar jaarkilometrageklasse, valt op dat de verschillen tussen kilometerklassen groter zijn dan de variatie naar technische kenmerken. Aanbevolen wordt om de wegtypeverdeling voor deze voertuigcategorieën daarom alleen te baseren op jaarkilometrageklassen.

Voor personenauto’s was het niet mogelijk om een verdeling te maken naar jaarkilometrageklasse. Bij deze voertuigen is daarom gekeken naar de verschillen per type personenauto. Het verschil in wegtypeverdeling was het grootste tussen personenauto’s van bedrijven en particulieren. Binnen deze categorieën was er ook nog een verschil in de wegtypeverdeling te zien tussen de verschillende leeftijdsklassen van het voertuig. Daarom wordt aanbevolen om de wegtypeverdeling toe te passen op basis van type eigenaar en leeftijdsklassen.

In ODiN waren ook verplaatsingen opgenomen met een bestelauto. Hoewel het relatief weinig verplaatsingen betrof en verplaatsingen door bedrijven waarschijnlijk ondervertegenwoordigd zijn, ziet de verdeling over de drie wegtypen er vergeleken met de andere voertuigsoorten plausibel uit. Hoewel de wegverdeling er plausibel uitziet, wordt toch aanbevolen voor de bestelauto’s ook onderzoek te doen naar andere bronnen. Voor vrachtwagens en personenauto’s zijn namelijk al wegtypeverdelingen gemaakt met de methode zoals in dit rapport beschreven. Voor bestelauto’s is er geen actuele dataset beschikbaar met voldoende massa en detail om met dezelfde methode een wegtypeverdeling te berekenen. Een dataset met deelritten van bestelauto’s zoals ook gebruikt voor vrachtwagens zou bruikbaar zijn, als de locaties van de herkomst en bestemming van de deelritten voldoende geografisch detail hebben (PC4 of PC6). Ook mag de dataset niet selectief zijn zoals een oververtegenwoordiging van nieuwe bestelauto’s of een oververtegenwoordiging in bepaalde regio’s. Dergelijke selectiviteit kan soms opgelost worden met weegfactoren. Op dit moment is een alternatieve dataset met deelritten van bestelauto’s niet beschikbaar. Tot 2021 werd door het CBS een bestelauto-enquête uitgevraagd waaruit een deelrittendataset voor bestelauto’s volgde. De betreffende deelritten bevatten echter onvoldoende geografisch detail om nauwkeurige wegtypeverdelingen te bepalen. Het CBS onderzoekt momenteel of op basis van o.a. registers en sensordata een deelritten-dataset voor bestelauto’s gemaakt kan worden. Indien de uitkomst van dit onderzoek positief is, zou op basis van de resulterende dataset een wegtypeverdeling geschat kunnen worden. In de eerste helft van 2026 wordt het resultaat van dit onderzoek verwacht.

Voor personenauto’s is het aan te bevelen om te onderzoeken of bij ritten van auto’s uit huishoudens met slechts één geregistreerde auto het kenteken en vervolgens het jaarkilometrage gekoppeld kan worden. Op die manier kan ook voor deze groep een wegtypeverdeling per kilometerklasse worden berekend.

Dit onderzoek is uitgevoerd voor het jaar 2023. Om een beter beeld te krijgen van hoe stabiel de resultaten zijn, wordt aanbevolen om deze analyse voor een ander recent jaar uit te voeren, 2024 zou dan voor de hand liggen. Dit is in ieder geval mogelijk voor de wegvervoer-enquête. Vanwege een methodebreuk in het ODiN zijn de metingen niet volledig en kan dit onderzoek niet zomaar uitgevoerd worden voor 2024. Om meer inzicht te krijgen in de ontwikkeling van wegtypeverdeling door de tijd, zou dit onderzoek voor een ander jaar herhaald kunnen worden. Advies is om dit te doen voor 2019, een jaar voordat er Coronamaatregelen waren. Door deze aanvullende analyses kan er een betere uitspraak gedaan worden over de kwaliteit van de wegtypeverdelingen.

In dit onderzoek is de verdeling naar wegtypen gebaseerd op de maximumsnelheid. Sinds kort publiceert Rijkswaterstaat ook een shapefile van de komgrenzen (Rijkswaterstaat, 2025). Op basis van deze komgrenzen kan bepaald worden of een wegvak binnen of buiten de bebouwde kom ligt en kunnen de kilometers verdeeld worden naar binnen en buiten de bebouwde kom. De resultaten uit een onderzoek op basis van deze shapefiles kunnen worden vergeleken met de bevindingen uit het onderzoek naar maximumsnelheden in dit rapport. Dit maakt het mogelijk om te beoordelen of er tussen beide methoden grote verschillen zijn in de afgelegde kilometers binnen de bebouwde kom (stadswegen).