2. Methode
Om de kilometers van de deelritten uit de wegvervoer-enquête en ODiN te verdelen over maximumsnelheden dienen de volgende stappen doorlopen te worden:
- Locaties (postcode of plaatsnaam) van herkomst en bestemming omzetten naar coördinaten, geo-coderen.
- Routes afleiden met een routeplanner en koppelen aan de wegvakken van OSM en het NWB.
- Selecteren wegvakken binnen Nederland.
- Inschatten van de maximumsnelheid op wegvakken met onbekende maximumsnelheid en van deelritten waarbij locatie van herkomst en bestemming gelijk zijn, imputatie.
- Samenstellen tabellen naar maximumsnelheid (categorieën) en bepalen detaillering.
In het vervolg van dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op deze stappen. Als databronnen voor maximumsnelheden op de wegvakken worden zowel het NWB als OSM gebruikt. De resultaten worden los van elkaar berekend.
2.1 Geo-coderen herkomst en bestemming
De eerste stap is het geo-coderen van postcodes en plaatsnamen uit de enquêtes naar coördinaten. Indien de postcode gevuld is, dan heeft die voorrang op de plaatsnaam omdat deze postcode nauwkeuriger is. Geo-coding gebeurt ook voor buitenlandse plaatsen, omdat buitenlandse locaties van herkomst en bestemming wel nodig zijn om de route te berekenen en de uiteindelijke grensovergang met de Nederlandse grens te bepalen. Als geo-coderen van buitenlandse plaatsen niet lukt, kan er ook geen route worden opgevraagd en kan deze deelrit niet meegenomen worden in de berekening. Dit gebeurt bij ongeveer 0,4 procent van de deelritten in de wegvervoer-enquête. Als alleen een plaatsnaam bekend is dan wordt het midden van die plaats gekozen. Dit leidt mogelijk wel tot vertekening van de resultaten. Bij de wegvervoer-enquête is bij 22,5 procent van de locaties van herkomst en bestemming alleen de plaatsnaam in Nederland (zie tabel 1.1.2) bekend.
Bij ODiN hebben herkomst en bestemmingen in het buitenland (m.u.v. Duitsland en België) over het algemeen geen ingevulde postcodes of plaatsnamen en alleen een ingevulde landcode. Aangezien alleen de gebruikte grensovergang van belang is, is in die gevallen de hoofdstad van het land gebruikt als locatie van herkomst of bestemming.
2.2 Afleiden routes
Om de gereden routes zo goed mogelijk te benaderen, wordt gebruik gemaakt van routes die door een routeplanner worden gegenereerd. Hiervoor wordt de “snelste route” optie gebruikt omdat dit het meest waarschijnlijk is. De snelste route is qua reistijd het snelste en zal daardoor ook vaker over snelwegen en provinciale wegen gaan. De “kortste route” optie is qua afstand het kortst, maar zal zelden qua reistijd ook het snelst zijn. In de praktijk zal de geplande route niet altijd de afgelegde route zijn, maar meer informatie over de werkelijke route is niet bekend. De routes worden gegenereerd door een routeplanner, dit gebeurt op basis van de coördinaten uit de geo-codering. Als routeplanner wordt Openrouteservice (ORS) gebruikt (ORS, 2025). Bij de routeplanner wordt voor de wegvervoer-enquête een vrachtwagenprofiel gebruikt om rekening te houden met toegankelijkheid van de weg voor vrachtwagens (bijvoorbeeld tunnels, brug, verbod, maximumsnelheid). Bij de routeberekening op basis van ODiN wordt als voertuigprofiel de personenauto gekozen. De routeplanner geeft een dataset terug met daarbij voor elk stukje van de route, welke wegvakken het betreft en hoeveel meter op dat wegvak is afgelegd. Dit kan gekoppeld worden aan zowel de OSM dataset als de NWB dataset, waardoor voor één route voor beide datasets de gebruikte wegvakken geanalyseerd kunnen worden. Dit betekent dat de output per route een lijst is met de gebruikte wegvakken (osm_id voor OSM en wvk_id voor het NWB) en de afstand op dit wegvak in meters. Op basis van deze unieke wegvak-id’s kan de maximumsnelheid uit de databronnen OSM en NWB gekoppeld worden.
2.3 Selecteren wegvakken binnen Nederland
Voor de emissieberekeningen op Nederlands grondgebied is de wegtypeverdeling nodig op wegen binnen Nederland en zijn dus alleen de wegvakken binnen Nederland nodig. Om de route te bepalen moeten ook routes die deels in het buitenland liggen worden berekend, omdat de eindbestemming bijvoorbeeld nodig is om te zien naar welke grensovergang er gereden wordt. Voor het afleiden van de wegtypeverdeling op Nederlands grondgebied worden alle wegvakken die in het buitenland liggen verwijderd uit de dataset. Dit wordt gedaan door de geometrie van de wegvakken te vergelijken met de geometrie van de shape van Nederland en dan de wegvakken die er helemaal buiten liggen te verwijderen. Dit betekent dat wegvakken die de grens kruisen wel worden meegenomen voor dat stukje wegvak.
2.4 Imputatie methode
Niet voor alle wegvakken is de maximumsnelheid bekend. Om wegvakken met onbekende maximumsnelheid bij te schatten is de volgende imputatie methode gebruikt:
- Indien er op een route voor één of meer wegvakken geen maximumsnelheid bekend is, wordt het gemiddelde genomen van de maximumsnelheid van het vorige en het volgende wegvak.
- Indien het eerste of laatste wegvak van een route een onbekende maximumsnelheid heeft, dan wordt de maximumsnelheid van het eerst volgende of het vorige wegvak gepakt.
Bij OSM is de maximumsnelheid voor 4,3 procent van de wegvakken uit de routes van de wegvervoer-enquête geïmputeerd. Bij het NWB is dit 4,1 procent. Bij ODiN ligt dit op 5,8 procent van de wegvakken voor OSM en 5,4 procent van de wegvakken bij NWB. In deze cijfers zijn alleen de wegvakken binnen het Nederlandse grondgebied meegeteld.
Er zijn twee situaties waarin de snelheid onbekend is en de maximumsnelheid niet geïmputeerd kon worden. In de eerste plaats zijn dat stukken die met een ferry worden afgelegd. In de tweede plaats betreft het stukken waarbij het start- of eindpunt van de route niet exact ligt op een wegvak waar met een (vracht)voertuig mag worden gereden. In de instellingen van de routeplanner is opgenomen dat een voertuig nog steeds een wegvak mag gebruiken als dit binnen 400 meter van de opgegeven herkomst- of bestemmingslocatie ligt. In dat geval wordt aangenomen dat het voertuig op dit wegvak staat geparkeerd. In de routebeschrijving die als output uit de routeplanner komt worden deze eerste of laatste meters dan weergegeven als “lopen van/naar het voertuig”. Het deel van de wegvakken dat niet geïmputeerd kon worden betreft 0,02 procent bij de wegvervoer-enquête en 0,08 procent bij ODiN. Deze wegvakken worden niet meegenomen in de verdere analyse.
Daarnaast wordt er bij de wegvervoer-enquête nog geïmputeerd voor situaties waarbij de locaties van herkomst en bestemming exact gelijk zijn. Bij ODiN zijn deze verplaatsingen niet meegenomen. Als de herkomst en bestemming hetzelfde zijn, dan kan de routeplanner geen route berekenen. Als alleen de plaatsnaam is ingegeven dan wordt bij het geo-coderen het midden van die plaats gekozen als locatie. Als er wordt opgegeven van Rotterdam naar Rotterdam dan leidt dit tot 0 km terwijl er waarschijnlijk binnen de gemeente Rotterdam wel een verplaatsing heeft plaatsgevonden.
Voor het imputeren van de maximumsnelheden behorende bij deze deelritten is gekeken naar alle deelritten binnen eenzelfde plaats waarvoor wel de postcodes (4 of 6 digit) van herkomst en bestemming bekend zijn. Voor deze laatste deelritten is de verdeling naar maximumsnelheden berekend en gebruikt voor het imputeren van de maximumsnelheden voor de deelritten binnen eenzelfde plaats zonder postcode-informatie. Er is hierbij geen onderscheid gemaakt naar de afzonderlijke woonplaatsen, maar gekeken naar de totale groep waarbij de plaatsnaam van herkomst en bestemming hetzelfde zijn. Dit omdat uitsplitsing naar plaatsen leidt tot te kleine aantallen deelritten per plaats. Deze imputatie wordt uitgevoerd voor 33 521 deelritten uit de wegvervoer-enquête, dit is 6,3 procent van het totaal aantal routes. Voor ODiN is deze imputatie niet gedaan, omdat de verplaatsingen met eenzelfde vertrek- en aankomstpostcode bij voorbaat niet geselecteerd zijn voor deze analyse.
2.5 Output tabellen maken
Als de routes zijn opgevraagd, de buitenlandse wegvakken zijn verwijderd en de wegvakken met onbekende maximumsnelheid zo veel mogelijk zijn geïmputeerd, dan kunnen de output tabellen worden gemaakt. In de tabellen worden de verdelingen op basis van OSM en het NWB apart weergegeven zodat deze ook vergeleken kunnen worden.
Voor het maken van de outputtabellen wordt de weegfactor uit de wegvervoer-enquête en het ODiN meegenomen. Elke deelrit/verplaatsing in de enquête heeft een weegfactor, die er voor zorgt dat de resultaten uit de enquête optellen tot de populatietotalen. In de praktijk betekent dit dat het aantal meters dat wordt afgelegd op een wegvak bij één deelrit, wordt vermenigvuldigd met de weegfactor van die deelrit.
De totale verdeling wordt berekend en uitgesplitst naar voertuigkenmerken. Voor de deelritten uit de wegvervoer-enquête wordt dit gedaan op basis van het kenteken. Voertuigkenmerken die gebruikt worden zijn voertuigsoort, bouwjaar, laadvermogen en jaarkilometrage.
Voor de deelritten uit ODiN is er geen kenteken bekend. In het ODiN wordt namelijk niet gevraagd met welke type auto een rit is afgelegd. Op huishoudensniveau is er wel informatie beschikbaar over welke auto(‘s) er in het huishouden beschikbaar zijn. Indien er één auto in het huishouden is, wordt in deze analyse aangenomen dat deze auto voor de autorit gebruikt is. Hierdoor kan per rit de leeftijdsklasse van voertuig, brandstof, type eigenaar en gewichtsklasse meegenomen worden. Voor de overige ritten (van huishoudens met meer dan 1 auto) zijn deze gegevens niet beschikbaar.
In tabel 2.5.1 is opgenomen hoe de maximumsnelheden ingedikt zijn naar de wegtypes Stad, Buitenweg en Snelweg. Door imputatie van wegvakken met een gemiddelde snelheid van het wegvak ervoor en erna kunnen er niet bestaande maximumsnelheden voorkomen. 45 kilometer is bijvoorbeeld geïmputeerd op basis van het wegvak ervoor van 30 en wegvak erna van 60 kilometer.
Op basis van de maximumsnelheden wordt er een indeling gemaakt naar wegtype. Wegvakken met een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur of minder worden gecategoriseerd als stadsweg, wegvakken met een maximumsnelheid van meer dan 50 maar 90 of minder kilometer per uur als buitenweg, en wegvakken met een maximumsnelheid meer dan 90 kilometer per uur worden gecategoriseerd als snelweg.
| Maximumsnelheid (km/uur) | Maximumsnelheid klasse 1 (km/uur) | Maximumsnelheid klasse 2 (km/uur) | Wegtype |
|---|---|---|---|
| 30 | 30 | ≤50 | Stad |
| 40 | 30 | ≤50 | Stad |
| 45 | 50 | ≤50 | Stad |
| 50 | 50 | ≤50 | Stad |
| 55 | 60 | >50 en ≤90 | Buitenweg |
| 60 | 60 | >50 en ≤90 | Buitenweg |
| 65 | 70 | >50 en ≤90 | Buitenweg |
| 70 | 70 | >50 en ≤90 | Buitenweg |
| 75 | 80 | >50 en ≤90 | Buitenweg |
| 80 | 80 | >50 en ≤90 | Buitenweg |
| 85 | 90 | >50 en ≤90 | Buitenweg |
| 90 | 90 | >50 en ≤90 | Buitenweg |
| 95 | 100 | >90 | Snelweg |
| 100 | 100 | >90 | Snelweg |