Haalbaarheidsonderzoek nieuwe cijfers online platformen en hostingdiensten

Over deze publicatie

De implementatie van de Digital Services Act en de Digital Markets Act gaat gepaard met een uitgebreidere informatiebehoefte bij het Ministerie van Economische Zaken (EZ) omtrent online platformen en hostingbedrijven. Het doel van dit haalbaarheidsonderzoek is te verkennen of en op welke manier het CBS cijfers kan publiceren die aansluiten bij deze vernieuwde informatiebehoefte.

Samenvatting

Hoofdstuk 1 Inleiding

In het kader van de implementatie van de Digital Services Act en de Digital Markets Act heeft het Ministerie van Economische Zaken behoefte om inzicht te krijgen in: 1) het aantal in Nederland gevestigde online platformen, uitgesplitst naar het aantal werkzame personen en bedrijfsomzet; 2) de omzetverdeling van Nederlandse platformbedrijven; 3) stijgers, dalers, starters en positieveranderingen op de platformmarkt; en 4) het aantal in Nederland gevestigde hostingbedrijven naar het aantal werkzame personen en bedrijfsomzet. In dit haalbaarheidsonderzoek wordt verkend of en op welke manier het CBS cijfers kan publiceren die aansluiten bij deze vernieuwde behoefte. 

Hoofdstuk 2 Online platformen naar grootteklasse

  • Met de informatie die binnen het CBS beschikbaar is kan een inschatting gedaan worden van het aantal online platformen in Nederland naar bedrijfsgrootte op basis van het aantal werkzame personen van de bedrijven waar de online platformen onderdeel van zijn. De gehanteerde categorieën zijn 0-1, 2-9, 10-49, 50-249, 250-499 en 500 werkzame personen of meer.
  • Omdat omzetgegevens niet beschikbaar zijn voor alle bedrijfstakken is het niet mogelijk bij de indeling naar grootteklasse de bedrijfsomzet te gebruiken.
  • Voor bedrijven in het midden-en kleinbedrijf met minder dan 250 werkzame personen is het aantal online platformen naar grootteklasse ook voor een aantal specifieke branches te geven. De bedrijfstak van het bedrijf waar het online platform onderdeel van is, volgens de SBI2008 indeling, is op dit moment hiervoor de meest geschikte indicator. Een kanttekening bij gebruik van de SBI2008 indeling is dat de bedrijfstak van het bedrijf niet altijd representatief is voor de activiteiten van het platform omdat de platformactiviteiten niet altijd de hoofdactiviteit van het bedrijf zijn en de SBI2008 geen aparte categorieën heeft voor online platformen. Een mogelijk alternatief, de in het vragenlijstonderzoek naar online platformen gerapporteerde branche, vertoont een te grote inconsistentie over de tijd om te kunnen gebruiken binnen dit kader. Specifieke bedrijfstakken waarvoor de cijfers gegeven kunnen worden zijn G Groot- en detailhandel, reparatie van auto’s, J Informatie en communicatie en N Verhuur van roerende goederen en overige zakelijke dienstverlening.
  • Het handmatig beoordelen van de branche waarin online platformen actief zijn, op basis van de informatie op websites, lijkt aanknopingspunten te bieden om de kwaliteit van de informatie over de branche waarin platformen hun bemiddelingsdiensten uitvoeren te verbeteren. 
  • De inschatting van het aantal online platformen naar bedrijfsgrootte kan voor opeenvolgende jaren vanaf 2020 gegeven worden. Per jaar geldt de inschatting als de beste benadering van het aantal platformen voor dat jaar. De resultaten voor opeenvolgende jaren kunnen echter niet als  volledig volgtijdelijk vergelijkbare tijdreeks worden geïnterpreteerd. De reden hiervoor is dat er per jaar verschillen kunnen zijn in het aandeel platformen dat in beeld is bij het CBS. Door het ontbreken van een volledige lijst of register van online platformen is het onduidelijk hoe groot het deel is dat niet in beeld is, waardoor het onmogelijk is hiervoor te corrigeren.

Hoofdstuk 3 Omzetverdeling online platformen

  • Voor opeenvolgende jaren vanaf 2020 kan berekend worden welk deel van de totale omzet door bedrijven met een online platformen toe te schrijven is aan de 10 bedrijven met de grootste omzet.
  • Omzetgegevens zijn niet beschikbaar voor bedrijven in de bedrijfstakken Financiële instellingen, onderwijs, Gezondheids- en welzijnszorg, Cultuur, sport en recreatie en Overige dienstverlening wat de bedrijfstakken. Het berekende omzetdeel heeft dus geen betrekking op bedrijven met een platform in deze bedrijfstakken. 
  • Vanwege het risico op onthulling kunnen de omzetaandelen niet gegeven worden voor bedrijven met een online platform in specifieke bedrijfstakken.
  • De berekende omzetaandelen geven een globaal beeld van de verdeling van de omzet van bedrijven met een online platform. De cijfers kunnen echter niet worden geïnterpreteerd als een precieze niveauschatting vanwege onzekerheid die samenhangt met het ontbreken van zicht op de randpopulatie van online platformen.
  • De cijfers geven een indicatie van de richting waarin het omzetdeel van de top 10 bedrijven met een online platform zich ontwikkelt, maar zijn niet geschikt als precieze kwantificering van de jaar-op-jaar ontwikkeling.
  • Het omzetdeel van de top 10 bedrijven binnen een bedrijfstak kan niet worden geïnterpreteerd als maat voor marktconcentratie omdat de bedrijven met online platformen, ook binnen dezelfde SBI-groep, in verschillende markten opereren.
  • We concluderen dat cijfers over het omzetdeel van de top 10 bedrijven met een online platform berekend kunnen worden, maar met de nodige voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd. Daarom worden de cijfers als experimenteel worden bestempeld en zullen altijd vergezeld moeten worden van uitleg over de bruikbaarheid en interpretatie van de cijfers.

Hoofdstuk 4 Stijgers, dalers, starters en positieveranderingen op de platformmarkt

  • Het is mogelijk kwalitatief afdoende cijfers te publiceren over platformen met een stijgende, stabiele of afnemende omzet. Op basis van hun omzetontwikkeling in één of meerdere jaren kunnen bedrijven met een online platformen geclassificeerd worden als ‘stabiel’, ‘stijger’ of ‘daler’. Een zinvolle classificatie voor de omzetontwikkeling is ‘omzet nul in startjaar’, ‘minder dan -20%’, ‘-20% tot -10%’, ‘-10 tot 10%’, ‘10%-20%’ en ‘20% of meer’.
  • Het aantal bedrijven met een online platform in deze categorieën is voldoende groot om de cijfers verder te specificeren. Er kan bijvoorbeeld worden nagegaan of het aandeel bedrijven met een online platform met een stabiele, stijgende of dalende omzet verschilt naar bedrijfstak of grootteklasse of kenmerken van het platform zelf.  
  • Rangcorrelaties zijn geschikt om een beeld te geven van de mate waarin de positie van online platformen, uitgedrukt in de grootte van de omzet, verandert van jaar op jaar. Een (aanvullend), intuïtief wellicht toegankelijker, alternatief is de positieveranderingen van bedrijven met een platform weer te geven op basis van decielen (zie hoofdstuk 4 voor voorbeeld).
  • De rangcorrelaties voor online platformen kunnen dus niet worden geïnterpreteerd als maat voor de marktdynamiek omdat de bemiddelingsdiensten van online platformen worden geleverd in veel uiteenlopende markten.
  • Het is niet mogelijk kwalitatief afdoende cijfers over startende online platformen te publiceren omdat de aantallen te klein zijn en er niet voldoende grip is op de interactie tussen bedrijvendynamiek en platformdynamiek.

Hoofdstuk 5 Hostingbedrijven naar grootteklasse

  • Met de informatie die op dit moment beschikbaar is bij het CBS is het niet mogelijk betrouwbare cijfers over het aantal hostingbedrijven in Nederland te maken. De voornaamste reden hiervoor is dat de populatie hostingbedrijven in Nederland niet goed kan worden afgebakend.
  • SBI-klasse 6311 (Gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten) van de SBI2008 indeling heeft betrekking op hostingbedrijven maar is toch ongeschikt voor de afbakening van hostingbedrijven volgens de DSA. Deze klasse bevat namelijk ook bedrijven die niet onder de DSA definitie van hosting vallen en niet alle hostingbedrijven volgens de DSA definitie vallen in deze SBI-klasse.
  • De herziene versie van de SBI indeling (SBI2025) die in 2026 (ook) binnen het CBS zal worden gebruikt biedt een verfijning van de huidige SBI-klasse 6311. Deze klasse blijft echter ongeschikt voor een correcte afbakening omdat nog steeds een groot deel van de bedrijven die onder de DSA definitie van hostingbedrijf vallen niet in de betreffende klassen zullen vallen.
  • Vanwege uiteenlopende redenen lijkt het geautomatiseerd classificeren van bedrijven op basis van informatie verstrekt op de website, zoals in het verdelen bijvoorbeeld is gedaan voor online platformen, ongeschikt voor het classificeren van bedrijven die onder de DSA definitie van een hostingbedrijf vallen.
  • Mogelijk kunnen er wel subgroepen van hostingbedrijven in kaart worden gebracht en beschreven. Hierbij kan gedacht worden aan online platformen, aanbieders van clouddiensten en webhosting bedrijven. Ook zou het opnemen van specifieke vragen over het aanbieden van hostingdiensten door bedrijven in (bijvoorbeeld) de CBS enquête ICT-gebruik bedrijven aanknopingspunten kunnen bieden voor het beschrijven van hostingbedrijven. De druk op deze enquête is echter hoog, en het ontwikkelen van adequate vraagstellingen vergt extra tijd en onderzoek.

1. Inleiding

De Digital Services Act (DSA) en de Digital Markets Act (DMA) hebben als doel een veiligere digitale ruimte creëren waarin de grondrechten van alle gebruikers van digitale diensten worden beschermd, en een gelijk speelveld tot stand brengen om innovatie, groei en concurrentievermogen te bevorderen. De wetten bevatten enerzijds duidelijke regels voor grote platforms – poortwachters, die zogenaamde kernplatformdiensten aanbieden – om ervoor te zorgen dat zij hun positie niet misbruiken, bijvoorbeeld door hun eigen producten te bevoordelen of gebruikers te beletten externe apps te installeren. Anderzijds bevatten deze wetten regels voor het aanbieden van tussenhandeldiensten. Dit zijn online diensten die informatie van hun afnemers doorgeven, opslaan en/of verspreiden (zie kader). Zo moeten zij bijvoorbeeld regels voor het verwijderen van informatie of gebruikersaccounts uitgebreider aan gebruikers uitleggen en voor toegankelijke en gebruikersvriendelijke klachtenprocedures zorgen. Deze links verwijzen naar websites van de EU waar meer uitleg wordt gegeven over de DSA en DMA

De implementatie van de DSA en DMA in Nederland heeft geleid tot een uitgebreidere informatiebehoefte bij het Ministerie van Economische Zaken (EZ) omtrent online platformen en hostingbedrijven. Er is behoefte om inzicht te krijgen in: 1) het aantal in Nederland gevestigde online platformen, uitgesplitst naar het aantal werkzame personen en bedrijfsomzet; 2) de omzetverdeling van Nederlandse platformbedrijven; 3) stijgers, dalers, starters en positieveranderingen op de platformmarkt; en 4) het aantal in Nederland gevestigde hostingbedrijven naar het aantal werkzame personen en bedrijfsomzet. Het doel van het huidige haalbaarheidsonderzoek is om te verkennen of en op welke manier het CBS cijfers kan publiceren die aansluiten bij deze vernieuwde informatiebehoefte.

Leeswijzer

Het vervolg van de publicatie is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 gaat in op online platformen naar grootteklasse, hoofdstuk 3 op de omzetverdeling van online platformen, hoofdstuk 4 op de positieveranderingen op de online platformmarkt, en 5 op de hostingsbedrijven. Ieder hoofdstuk afzonderlijk geeft antwoord op de vraag of en zo ja, welke cijfers er, met voldoende betrouwbaarheid, door het CBS gemaakt kunnen worden en welke overwegingen hierbij een rol spelen.

2. Aantal online platformen in Nederland

Dit hoofdstuk geeft antwoord op de vraag of het CBS cijfers kan maken over het aantal online platformen in Nederland, op een manier die voldoende betrouwbaar is. De regels die volgens de DSA van toepassing zijn op online platformen zijn strenger voor grotere platformbedrijven. Daarom is het van belang bij het in kaart brengen van het aantal online platformen onderscheid te maken naar grootteklasse. Er wordt onderzocht of het mogelijk is een specificatie naar bedrijfstak van het platform te geven en welke bron hiervoor het meest geschikt is. Ook wordt verkend of het mogelijk is een goede inschatting te maken van de ontwikkeling over de tijd in het aantal online platformen. De resultaten van dit onderzoek kunnen en zullen niet gebruikt worden in het kader van handhaving.

2.1 Beschikbare gegevens

Op dit moment bestaat er geen register van online platformen in Nederland; iedereen kan een website starten, zonder zich ergens officieel te registreren als platform. Om te bepalen welke online platformen er zijn in Nederland, heeft het CBS daarom gebruikgemaakt van webscraping en machine learning (Monitor online platformen 2023). Met behulp van deze methoden zijn uit een zeer omvangrijke lijst met websites in Nederland potentiële platformen geselecteerd. Met behulp van het bedrijvenregister van het CBS zijn de bedrijven achter deze geselecteerde platformen geïdentificeerd. Aan deze bedrijven is een vragenlijst toegestuurd met als doel vast te stellen of de aangeschreven bedrijven daadwerkelijk platformeenheden zijn. Er zijn in 2023 4857 bedrijven benaderd om de enquête in te vullen; 2916 bedrijven vulden de enquête in.

Met de gehanteerde methode om de populatie online platformen in Nederland vast te stellen is in de afgelopen jaren het aantal geïdentificeerde platformen toegenomen. Inherent aan de methode is dat deze geen inzicht geeft in het aantal platformen dat niet bij het CBS in beeld is. Ook is het niet volledig duidelijk in welke mate de geïdentificeerde platformen representatief zijn voor de hele populatie online platformen in Nederland. Ook kan het aandeel bij ons bekende platformen / platformpopulatie Nederland wisselen van jaar op jaar, maar ook de omvang van deze wisselingen is onbekend. De grotere platformen in Nederland zijn naar verwachting beter in beeld dan de kleine omdat deze op basis van expertkennis handmatig zijn toegevoegd aan de bij ons bekende populatie.

Tabel 2.1.1 geeft een overzicht van de relevante en beschikbare gegevens van bedrijven met een online platform binnen het CBS, in de periode 2020 tot en met 2023.

2.1.1 Beschikbaarheid informatie voor bedrijven met een online
platform, 2020-2023
JaarAantal online platformenAantal bedrijven met één of meer online platformenBedrijven met grootteklasse en bedrijfstak beschikbaar via bedrijvenregisterBedrijven met branche platform beschikbaar via enquête in betreffende jaarBedrijven met branche platform beschikbaar via minimaal één enquête tussen 2020-2023Bedrijven waarvoor omzetgegevens beschibaar zijn in betreffende jaar
20201 4201 3711 3715431 2651 086
20211 5021 4531 4535541 3471 154
20221 5511 4991 4998831 3801 178
20231 5051 4531 4539001 3271 134

2.2 Aantal bedrijven met een platform naar grootteklasse

Zoals beschreven in de inleiding worden er door de DSA meer verplichtingen gesteld aan een tussenhandeldienst naarmate deze aan intensievere informatieverwerking doet. Naast het soort tussenhandeldienst en de daarbij behorende verplichtingen, worden er ook aanvullende verplichtingen gesteld op basis van de bedrijfsgrootte. Zo worden micro- en kleinbedrijven (bedrijven met minder dan 50 werkzame personen en een jaaromzet/balanstotaal van minder dan 10 miljoen euro) vrijgesteld van bepaalde verplichtingen. 

Volgens de maatstaaf van de Europese Commissie behoren ondernemingen tot het midden en kleinbedrijf (mkb) als ze zowel uit minder dan 250 werkzame personen bestaan, een jaaromzet hebben van 50 miljoen euro of minder en/of een balanstotaal van 43 miljoen euro of minder. Een mkb onderneming dient aan beide eisen (aantal werknemers en jaaromzet/balanstotaal) te voldoen. Binnen het mkb wordt een onderverdeling gemaakt naar drie onderliggende grootteklassen: het microbedrijf, kleinbedrijf en middenbedrijf. Tabel 2.2.1 toont de onderverdeling binnen het mkb.

2.2.1 Indeling bedrijven naar grootte op basis van werkzame personen en jaaromzet of balanstotaal
Werkzame personenJaaromzet (of balanstotaal, mln euro)Type bedrijf
0 tot 100 tot 2Micro
0 tot 102 tot 10Klein
0 tot 1010 tot 50Midden
10 tot 500 tot 2Klein
10 tot 502 tot 10Klein
10 tot 5010 tot 50Midden
50 tot 2500 tot 2Midden
50 tot 2502 tot 10Midden
50 tot 25010 tot 50Midden

Voor de omzetanalyses wordt gebruik gemaakt van gegevens beschikbaar via de Directe Ramingen Totaal. Deze bron heeft betrekking op SBI-groepen die volledig gerekend kunnen worden tot het niet-financiële bedrijfsleven. Dit betekent dat niet voor alle ondernemingen en bedrijfstakken omzetgegevens beschikbaar zijn (zie paragraaf 3.1). Zo zijn over de bedrijfstakken K) Financiële instellingen, P) Onderwijs, Q) Gezondheids- en welzijnszorg, R) Cultuur, sport en recreatie, en S) Overige dienstverlening, geen omzetgegevens bekend. Omdat een aanzienlijk deel van de door het CBS geïdentificeerde platformen hoort bij bedrijven in deze bedrijfstakken is het niet mogelijk deze in voldoende mate in te delen (mede) op basis van omzetgegevens. Het is binnen het CBS ook de norm het mkb af te bakenen op basis van alléén het aantal werkzame personen, dus zonder gebruik van de jaaromzet/ het balanstotaal. Via de koppeling met het bedrijvenregister van het CBS is informatie verkregen over het aantal werkzame personen bij deze bedrijven. In het huidige onderzoek onderscheiden we daarom mkb-groepen op basis van het aantal werkzame personen, zoals weergegeven in Tabel 2.2.2. 

2.2.2 Indeling bedrijven naar grootte op basis van werkzame personen
Werkzame personenType bedrijf
0 tot 2Micro
2 tot 10Micro
10 tot 50Klein
50 tot 250Midden
250 tot 500Niet-mkb
500 of meerNiet-mkb

Tabel 2.2.3 toont het aantal bedrijven met een online platform in 2020-2023, dat in 2024 in beeld was bij het CBS naar grootteklasse op basis van het aantal werkzame personen. 
In ieder jaar behelst plusminus vier op de vijf platformbedrijven een microbedrijf (<10 werkzame personen), 13 procent een kleinbedrijf (10-49 werkzame personen), en 5 procent een middenbedrijf (50-249 werkzame personen).

Ontwikkeling over de tijd

Vanwege het ontbreken van een volledig kader (overzicht van alle online platformen in Nederland; zie paragraaf 2.1) is het niet goed mogelijk de ontwikkeling in het aantal online platformen over de tijd op een volledig betrouwbare manier te bepalen. Het is immers onbekend welk deel van de online platformen in Nederland per jaar niet in beeld is bij het CBS. Dat betekent dat de resultaten niet kunnen worden opgehoogd naar een randtotaal. De resultaten in de tabel dienen dus per jaar te worden gezien als een zo goed mogelijke schatting van het aantal online platformen in de specifieke jaren.

2.2.3 Aantal bedrijven met een online platform naar werkzame personen, 2020-2023
Werkzame personen2020202120222023
0 tot 2719774797751
2 tot 10373383386387
10 tot 50179198210204
50 tot 25063606572
250 tot 50017171814
500 of meer20212325

2.3 Onderscheid naar bedrijfstak

Er zijn op dit moment twee bronnen beschikbaar met informatie over het type activiteit van het online platform of het bijbehorende bedrijf. Enerzijds kan naar de SBI-groep van het bedrijf waar het online platform onderdeel van is worden gekeken. Anderzijds, kan er naar gekeken worden naar de branche zoals die is gerapporteerd door het online platform of bedrijf in vragenlijstonderzoek naar online platformen dat is uitgevoerd door het CBS. 

Uit eerder onderzoek bleek dat de bedrijfstak van het bedrijf achter het online platform niet eenduidig samenhangt met de branche waarin het online platform opereert (Monitor online platformen 2020). Omdat bemiddelingsdiensten recent snel zijn opgekomen worden deze diensten, waaronder online platformen, nog niet onderscheiden in de momenteel nog in gebruik zijnde SBI2008 indeling. Op basis van de hoofdactiviteit volgens de SBI2008 indeling is ongeveer een derde van de bedrijven met een online platform geregistreerd als IT-bedrijf (SBI-groep J). Een groot deel van de platformen die horen bij deze bedrijven richt zich volgens de informatie uit het vragenlijstonderzoek op de bemiddeling van goederen of diensten in een andere branche. 

Er is in het huidige onderzoek verkend of de vragenlijstgegevens verzameld ten behoeve van de monitor online platformen een betere indicatie geven van de activiteit van een online platform. Er is gekeken voor hoeveel platformen er informatie beschikbaar is over de branche waarin het platform opereert (deze informatie is niet verplicht om aan te leveren in de vragenlijst), en in hoeverre deze informatie consistent is over de jaren. Uit de verkenning bleek dat er voor 10 procent van de platformen geen informatie beschikbaar is over de branche. Daarnaast is er bij 38 procent van de platformen inconsistentie in de gerapporteerde branche. Met andere woorden, het ene jaar geeft het platform aan werkzaam te zijn in branche A, en in een ander jaar in branche B. Het is niet waarschijnlijk dat meer dan een derde van de platformbedrijven van branche wisselt. Kortom, de informatie uit de platform-enquête over de branche van een platform is niet volledig en betrouwbaar genoeg. 

In aanvulling op de huidige databronnen (koppeling bedrijvenregister en vragenlijst) is er in het huidige onderzoek ook verkend of de indeling van de Europese DAC7 richtlijn bruikbaar is om binnen online platformbedrijven onderscheid te kunnen maken tussen branches. Deze richtlijn verplicht bepaalde digitale platformen om gegevens te verzamelen en te rapporteren aan de Belastingdienst. Activiteiten die onder de DAC7 richtlijn vallen zijn 1) Verkoop van goederen; 2) Verhuur van onroerend goed; 3) Verlenen van persoonlijke diensten; 4) Verhuur van transportmiddelen. Na onderzoek concluderen wij dat de indeling binnen de DAC7 richtlijn geen goed alternatief is voor de SBI-indeling. Zo is de ‘Verhuur van transportmiddelen’ erg specifiek ingestoken, en het ‘Verlenen van persoonlijke diensten’ erg breed. Met andere woorden, er zijn niet veel online platformbedrijven werkzaam in de transportmiddelenverhuur, en juist erg veel online platformbedrijven in de persoonlijke dienstverlening. Het onderscheidend vermogen van de DAC7 indeling is beperkter dan de SBI indeling.

Vanaf 2025 wordt de SBI indeling herzien en wordt de SBI2025 van kracht. Vanaf 2026 zullen bedrijven die bemiddeling als hoofdactiviteit hebben ook als dusdanig zijn opgenomen in het bedrijvenregister van het CBS. Tabel 2.3.1 geeft een overzicht van de groepen voor bemiddeling in de SBI2025. Vervolgonderzoek zal duidelijk moeten maken of deze indeling betere aanknopingspunten geeft voor specificaties van het aantal online platformen naar bedrijfstak dan de huidige SBI2008 indeling. Zeker is in ieder geval dat ook de SBI2025 uitgaat van de hoofdactiviteit van het bedrijf waar het online platform onderdeel van is. Dit betekent dat ook de SBI2025 indeling niet in alle gevallen indicatief zal zijn voor de bedrijfstak waarin de bemiddelingsdiensten van het platformdeel van het bedrijf plaatsvinden.

2.3.1 In de SBI2025 opgenomen groepen voor bemiddelingsdiensten
Code 2SectieTitels SBI2025 dd 02-05-2024
35400DActiviteiten van makelaars en bemiddelaars voor elektriciteit en aardgas
43600FBemiddelingsdiensten voor gespecialiseerde bouwactiviteiten.
46110GHandelsbemiddeling in de groothandel in landbouwproducten, levende dieren, textielgrondstoffen en halffabricaten
46120GHandelsbemiddeling in de groothandel in brandstoffen, ertsen, metalen en chemische producten
46130GHandelsbemiddeling in de groothandel in hout en bouwmaterialen
46140GHandelsbemiddeling in de groothandel in machines, apparaten en werktuigen voor de industrie en in schepen en luchtvaartuigen
46150GHandelsbemiddeling in de groothandel in meubelen, huishoudelijke artikelen en ijzerwaren
46160GHandelsbemiddeling in de groothandel in textiel, kleding, bont, schoeisel en lederwaren
46170GHandelsbemiddeling in de groothandel in voedings- en genotmiddelen
46180GHandelsbemiddeling in de groothandel in overige goederen
46190GHandelsbemiddeling in de niet-gespecialiseerde groothandel
47910GBemiddelingsactiviteiten in verband met de niet-gespecialiseerde detailhandel
47920GBemiddelingsactiviteiten voor de gespecialiseerde detailhandel
52310HBemiddelingsactiviteiten in verband met goederenvervoer
52320HBemiddelingsactiviteiten in verband met personenvervoer
53300HBemiddelingsactiviteiten in verband met post- en koeriersdiensten
55400IBemiddelingsactiviteiten in verband met tijdelijke accommodaties
56400IBemiddelingsactiviteiten in verband met drank en maaltijden
61200KWederverkoop van telecommunicatie en bemiddelingsactiviteiten in verband met telecommunicatie
66120LBemiddeling in effecten- en goederencontracten
68310MBemiddeling in verband met exploitatie van en handel in onroerend goed
68320MOverige bemiddeling in en beheer van onroerend goed voor een vast bedrag of op contractbasis
74910NBemiddeling in en het in de handel brengen van octrooien
77510OBemiddeling in verband met verhuur en lease van auto’s, campers en aanhangwagens
77520OBemiddeling in verband met verhuur en lease van overige materiële goederen en niet-financiële immateriële activa
78100OArbeidsbemiddeling
82400OBemiddelingsactiviteiten in verband met zakelijke dienstverlening, n.e.g.
85610QBemiddeling op het gebied van academische ondersteuning en studiebegeleiding
86970RBemiddeling in de gezondheidszorg
87910RBemiddeling in de residentiële zorg
95400TBemiddelingsactiviteiten in verband met reparatie en onderhoud van computers, consumentenartikelen, motorvoertuigen en motorfietsen
96400TBemiddelingsactiviteiten op het gebied van persoonlijke dienstverlening

Omdat geen van de beschikbare bronnen een hele goede en consistente indicatie geeft van de branche waar de bemiddelingsactiviteiten van het platform betrekking op hebben zal er een alternatief moeten worden gezocht. Eén alternatief lijkt het handmatig (door het CBS) beoordelen van de branche op basis van de informatie op de website van het online platform. Deze beoordeling wordt nu gegeven door het bedrijf zelf (via het vragenlijstonderzoek), maar deze zelfrapportage is dus te weinig consistent gebleken. Wanneer deze beoordeling ‘in huis’ bij het CBS wordt gemaakt zal er waarschijnlijk meer consistentie in kunnen worden gebracht. 

De procedure voor het vaststellen of een bepaalde website een online platform is volgt nu twee stappen. Eerst wordt er met een model een inschatting gemaakt van de kans dat een website een online platform is. Alle eenheden met een hoge kans ontvangen een vragenlijst waarin (onder andere) wordt gevraagd of de website inderdaad een online platform is. Het is gebleken dat deze vraag voor berichtgevers soms best lastig is te beantwoorden. Wanneer de branche handmatig door het CBS wordt vastgesteld zou mogelijk ook de beoordeling van het feit of een website inderdaad een online platform is ook door het CBS gedaan kunnen worden. Of deze procedure inderdaad adequaat is zal moeten worden onderzocht. Wanneer blijkt dat er, voor het vervolg van de informatievoorziening rond online platformen, geen behoefte is aan informatie die uitsluitend via vragenlijstonderzoek kan worden opgehaald, zou het vragenlijstonderzoek mogelijk geschrapt kunnen worden. De rapportage vindt dan plaats op uitsluitend de door het CBS bepaalde populatie online platformen met bijbehorende branches en de aan deze populatie gekoppelde informatie over bijvoorbeeld de bedrijfsomzet. Tot deze variant verder is verkend, en totdat de SBI2025 van kracht wordt, is de SBI2008 indeling de meest aangewezen indicator voor het type bedrijfstak. 

Figuur 2.3.2 toont het aantal bedrijven met een online platform naar grootteklasse in 2023. De resultaten zijn ook getoond voor een drietal bedrijfstakken waarvoor het mogelijk is de aantallen te tonen zonder dat dit een risico op onthulling met zich meebrengt. In alle drie de bedrijfstakken is veruit het grootste deel van de bedrijven met een online platform een microbedrijf met minder dan 10 werkzame personen. In de bedrijfstak verhuur van roerende goederen en overige zakelijke dienstverlening is het aandeel bedrijven met 10 of meer werkzame personen iets groter dan in de andere twee bedrijfstakken. 

2.3.2 Bedrijven met een platform naar werkzame personen en bedrijfstak, 2023
 0 tot 2 werkzame personen (%)2 tot 10 werkzame personen (%)10 tot 50 werkzame personen (%)50 tot 250 werkzame personen (%)
Totaal64332815959
G Groot- en detailhandel, reparatie van auto's8246179
J Informatie en communicatie2841296315
N Verhuur van roerende goederen en overige zakelijke dienstverlening68482313

3. Omzetverdeling online platformen

Dit hoofdstuk geeft antwoord op de vraag of het CBS cijfers kan maken over de omzetverdeling van online platformen in Nederland, op een manier die voldoende betrouwbaar is. We geven eerst een overzicht van de omzetgegevens en de gegevens over de bedrijfstak binnen het CBS (in hoofdstuk 2 wordt dieper ingegaan op het gebruik van gegevens over de bedrijfstak). We verkennen of het mogelijk is uitspraak te doen over het omzetaandeel van de top-10 (of top-20) online platformbedrijven en maken een aantal kanttekeningen bij de interpretatie van de resultaten. 

3.1 Beschikbare gegevens

Binnen het CBS zijn omzetgegevens voor bedrijven beschikbaar uit de ‘Directe Ramingen Totaal’ bestanden. De betreffende omzetgegevens zijn beschikbaar voor de meeste bedrijven, maar niet voor allemaal. Voor bedrijven in de bedrijfstakken K) Financiële instellingen, P) Onderwijs, Q) Gezondheids- en welzijnszorg, R) Cultuur, sport en recreatie, en S) Overige dienstverlening, zijn geen omzetgegevens bekend. Bedrijven met een platform in deze bedrijfstakken kunnen niet worden meegenomen in de analyse die betrekking heeft op omzet. Voor de interpretatie van de resultaten is van belang dat een online platform vaak een onderdeel van een bedrijf is en er dus niet één-op-één mee samenvalt. De financiële gegevens hebben dus vaak betrekking op een grotere eenheid dan alleen het online platform.

Zoals beschreven werd in paragraaf 2.3 is de bedrijfstak (SBI2008) van het bedrijf waar het online platform onderdeel van is op dit moment nog de best beschikbare indicator voor specificaties naar branche. 

Tabel 3.1.1 geeft een overzicht van het aantal bedrijven met een online platform waarvoor omzetgegevens beschikbaar zijn. De aantallen worden ook gegeven voor de drie bedrijfstakken met de grootste omzet voor bedrijven met een online platform. (Zie ook: 3. Omzetontwikkeling | CBS).

3.1.1 Beschikbaarheid omzetgegevens bedrijven met een online platform, 2020-2023
JaarAantal bedrijven met online platform in beeld bij CBSAantal bedrijven waarvoor omzetgegevens beschikbaar zijn in betreffende jaarAantal bedrijven waarvoor omzetgegevens beschikbaar zijn in gehele periode 2020-2023
Totaal20201 3711 086948
Totaal20211 4531 154948
Totaal20221 4991 178948
Totaal20231 4531 134948
Bedrijfstak G Groot- en detailhandel, reparatie van auto's2020145144132
Bedrijfstak G Groot- en detailhandel, reparatie van auto's2021158157132
Bedrijfstak G Groot- en detailhandel, reparatie van auto's2022161160132
Bedrijfstak G Groot- en detailhandel, reparatie van auto's2023158155132
Bedrijfstak J Informatie en communicatie2020479472401
Bedrijfstak J Informatie en communicatie2021510504401
Bedrijfstak J Informatie en communicatie2022520506401
Bedrijfstak J Informatie en communicatie2023498485401
Bedrijfstak N Verhuur van roerende goederen en overige
zakelijke dienstverlening
2020151149130
Bedrijfstak N Verhuur van roerende goederen en overige
zakelijke dienstverlening
2021160157130
Bedrijfstak N Verhuur van roerende goederen en overige
zakelijke dienstverlening
2022172169130
Bedrijfstak N Verhuur van roerende goederen en overige
zakelijke dienstverlening
2023164159130

3.2 Omzetaandeel top 10 bedrijven

Tabel 3.2.1 geeft het berekende omzetaandeel van de 10 bedrijven met een online platform met de grootste omzet. Deze aandelen zijn per jaar berekend op basis van alle bedrijven waarvoor omzetgegevens beschikbaar waren in het betreffende jaar (zie tabel 3.1.1). Er is overwogen het omzetaandeel van de top 20 bedrijven te presenteren, maar omdat de omzet van bedrijven met een online platform zeer scheef verdeeld is zouden deze percentages zo hoog zijn dat ze weinig inzicht geven boven alleen omzet van de top 10.

Vanwege een te groot onthullingsrisico is het niet mogelijk de omzetaandelen van de top 10 bedrijven te publiceren voor specifieke bedrijfstakken.

3.2.1 Omzetaandeel top 10 bedrijven met een online platform (%)
JaarOmzetaandeel
202073
202174
202276
202379

3.3 Interpretatie en kanttekeningen

De berekende omzetaandelen van de top 10 bedrijven zijn geschikt wanneer het doel is een globaal beeld van de verdeling van de omzet van bedrijven met een online platform te geven. De cijfers laten zien dat deze omzet erg scheef verdeeld is. Circa drie kwart van de totale omzet wordt gemaakt door slechts 10 van de meer dan duizend bedrijven met een online platform die in beeld zijn bij het CBS. De cijfers geven ook enige indicatie van de ontwikkeling van de verdeling over de tijd. De ‘scheefheid van de omzetverdeling’ in de periode 2020-2023 lijkt te zijn toegenomen. 

De cijfers moeten echter met de nodige terughoudendheid worden geïnterpreteerd. De cijfers zijn ongeschikt als precieze niveauschatting van het omzetdeel van bedrijven met een online platform in een bepaald jaar. Dit betekent ook dat de cijfers ongeschikt zijn om de toe- of afname van het omzetdeel van de top 10 bedrijven met een online platform heel precies te kwantificeren. Dit komt doordat de methode waarmee de populatie bedrijven met een online platform is samengesteld geen zicht geeft op de randpopulatie. Het precieze aantal online platformen in Nederland is onbekend. Dit betekent dat er een mate van onzekerheid rond de cijfers in tabel 3.2.1 zit die niet is te kwantificeren, waardoor er ook niet voor gecorrigeerd kan worden.

Om een indruk te krijgen van de impact van het mogelijk missen van (omzet van) bedrijven met een online platform in de waarneming is een aantal gevoeligheidsanalyses uitgevoerd (Tabel 3.3.1).

3.3.1 Omzetdeel top 10 bedrijven met een online platform, gevoeligheidsanalyses (%)
2020202120222023
Oorspronkelijke berekening73747679
Panel bedrijven met omzetgegevens voor gehele periode 2020-202379818384
Omzet niet top 10 bedrijven 5 procent te laag ingeschat72737578
Omzet niet top 10 bedrijven 10 procent te laag ingeschat71727477
Omzet top 10 bedrijven 5 procent te laag ingeschat74757779
Omzet top 10 bedrijven 10 procent te laag ingeschat75767880

In een eerste analyse is het omzetdeel per jaar berekend voor de groep bedrijven waarvoor in alle jaren in de periode 2020-2023 omzetgegevens beschikbaar waren. Dit zijn dus de bedrijven die in alle jaren in scope waren. In deze analyse wordt de invloed van ‘sterfte’ en ‘geboorte’ van bedrijven met een online platform, en variaties in de waarneming daarvan in verschillende jaren in deze periode, uitgeschakeld. Ook binnen dit panel van bedrijven is een toename van het omzetdeel van de top 10 bedrijven te zien. Sterfte en geboorte (en variatie in het waarnemen van deze bedrijven door de tijd) lijkt dus weinig of geen invloed te hebben op de richting van de waargenomen ontwikkeling van het omzetdeel van de top 10 bedrijven. Het niveau van het berekende omzetaandeel in het panel verschilt van de oorspronkelijke berekening doordat het totale aantal bedrijven, en de omzet die deze bedrijven vertegenwoordigen, kleiner is in het panel.

De overige gevoeligheidsanalyses berekenen het omzetdeel van de top 10 bedrijven onder de aanname dat er 5 of 10 procent van de werkelijke omzet wordt gemist doordat deze bedrijven niet zijn waargenomen. Dit wordt afzonderlijk gedaan voor bedrijven die behoren tot de top 10 bedrijven en de niet-top 10 bedrijven. Logischerwijs verschilt het omzetaandeel van de top 10 bedrijven in alle scenario’s. Binnen de afzonderlijke scenario’s is er wel telkens een toename van het omzetaandeel over de jaren. Het kan natuurlijk ook zo zijn dat, bijvoorbeeld, in 2020 een bedrijf met een aanzienlijke omzet dat eigenlijk in de top 10 thuishoort wordt gemist, waardoor het omzetdeel in werkelijkheid hoger is dan is berekend. Als in 2023 juist een deel van de niet top 10 bedrijven niet wordt waargenomen, en het omzetdeel van de top 10 daardoor te hoog wordt ingeschat, heeft dit een aanzienlijke invloed op de trend van het omzetdeel van de top 10 bedrijven. In het geval van 10 procent missende omzet kom je dan uit op een omzetaandeel van 75 procent in 2020 en 77 procent in 2023. Dit is een toename van 2 procent in plaats van de waargenomen 6 procent. Dit geeft maar aan dat het missen van bedrijven in de waarneming een aanzienlijke invloed kan hebben op het berekende cijfer.

Cijfers over het omzetdeel van de top 10 bedrijven kunnen dus berekend worden, maar moeten met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Daarom zullen de cijfers als experimenteel worden bestempeld en zullen ze altijd vergezeld moeten worden van uitleg over de bruikbaarheid en interpretatie van de cijfers (zoals hierboven). Bij de berekening zal voldoende tijd moeten worden ingeruimd voor aanvullende onderzoeks-analyses die nodig kunnen zijn voor een goede duiding van de cijfers. Om de cijfers in perspectief te kunnen plaatsen zullen ook aanvullende cijfers, zoals de omzetontwikkeling van bedrijven met een online platform (zie hier) in kaart moeten worden blijven gebracht.

Verder is het van belang dat online platformen actief zijn in bedrijfstakken in de gehele economie. En ook de activiteiten waar online platformen binnen eenzelfde bedrijfstak zich op richten zijn vaak verschillend. De groepen waarvoor cijfers worden gepresenteerd (totaal en bedrijfstakken G, J en N) vormen geen afgebakende markt in de zin dat de bedrijven binnen deze groepen altijd concurrerend zijn. Het omzetaandeel, ook binnen een specifieke bedrijfstak, kan daarom niet worden geïnterpreteerd als marktaandeel.

4. Stijgers, dalers, starters en positieveranderingen

Dit hoofdstuk geeft antwoord op de vraag of het CBS cijfers kan maken over de dynamiek van online platformen in Nederland, op een manier die voldoende betrouwbaar is. Er wordt nagegaan welk deel van de platformen qua omzet groeit, gelijk blijft, dan wel krimpt in de periode 2020 tot en met 2023, en wordt er per jaar naar positieveranderingen gekeken van platformbedrijven wat betreft omzet. Tot slot, wordt verkend of er een beeld kan worden geschetst van startende platformbedrijven.

4.1 Beschikbare gegevens

Voor het onderzoek beschreven in dit hoofdstuk wordt gebruik gemaakt van dezelfde gegevens over omzet en bedrijfstakken als in hoofdstukken 2 en 3. Voor een uitgebreide toelichting bij deze gegevens verwijzen we naar deze hoofdstukken. 

4.2 Stijgers, dalers, stabiel

In de eerdere uitgaven van de Monitor online platformen zijn cijfers over het percentage bedrijven met een online platform met een toenemende, relatief stabiele, of afnemende omzet gepubliceerd (zie hier). De cijfers uit de Monitor online platformen 2023 over dit onderwerp zijn opnieuw weergegeven in Figuur 4.2.1. We concluderen hiermee dat het mogelijk is kwalitatief afdoende cijfers te publiceren over platformen met een stijgende, stabiele of afnemende omzet. Het aantal bedrijven in deze groepen is ook groot genoeg om verdere specificaties te kunnen maken. Afhankelijk van de wensen kan er bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van gegevens uit het bedrijvenregister om inzichtelijk te maken of het aandeel bedrijven met een online platform met een toenemende, relatief gelijkblijvende of afnemende omzet verschilt naar bedrijfstak of grootteklasse. Ook kan de relatie worden gelegd met kenmerken van de platformen zelf, zoals bijvoorbeeld het type product waarin het platform bemiddelt (goederen, diensten, informatie, communicatie). Er zal verder moeten worden afgestemd of er verdere analyse wenselijk is en in welke vorm dit zou moeten zijn, onder andere om te bepalen of er vragenlijst onderzoek nodig is en welke informatie verzameld zou moeten worden.

4.2.1 Verandering omzet van bedrijven met een online platform ten opzichte van vorig jaar*
jaarOmzet was 0 vorig jaar (% bedrijven met een online platform)Minder dan -20% (% bedrijven met een online platform)-20% tot -10% (% bedrijven met een online platform)-10% tot 10% (% bedrijven met een online platform)10% tot 20% (% bedrijven met een online platform)20% of meer (% bedrijven met een online platform)
20217,116,56,721,49,538,7
20226,617,46,421,48,839,3
2023**6,924,86,52410,627,1
*Figuur overgenomen uit CBS uitgave 'Monitor online platformen 2023' **voorlopige cijfers

4.3 Positieveranderingen

In dit onderdeel hebben we met behulp van rangcorrelaties verkend in hoeverre de positie van online platformen, uitgedrukt in de grootte van de omzet, verandert van jaar op jaar. Een rangcorrelatie wordt uitgedrukt als een getal tussen 0 en 1. Een hoge rangcorrelatie voor twee jaren duidt erop dat de omzet van platformen ten opzichte van de andere platformen relatief onveranderd is. Platformen blijven dan dus redelijk op dezelfde plek in de rangorde van omzetten. Een lage rangcorrelatie duidt er juist op dat de positie van platformen in de rangorde van omzetten het ene jaar sterk afwijkt van die in het andere jaar. Daarmee is de rangcorrelatie een maat voor de veranderlijkheid van de omzet van platformen ten opzichte van die van andere platformen. 

4.3.1 Rangcorrelaties omzet bedrijven met een platform, 2020-2023
PeriodeAlle bedrijvenBedrijfstak G Groot- en detailhandel, reparatie van auto'sBedrijfstak J Informatie en communicatieBedrijfstak N Verhuur van roerende goederen en overige zakelijke dienstverlening
2020-20210,950,960,960,96
2021-20220,950,980,930,96
2022-20230,960,950,970,98
2020-20230,890,870,910,94

Tabel 4.3.1 geeft de berekende rangcorrelaties voor alle bedrijven met een platform, en voor bedrijven met een platform in de bedrijfstakken G, J en N. De rangcorrelaties zijn (zeer) hoog voor alle koppels van aaneensluitende jaren. Dit betekent dat er een zeer sterke samenhang is tussen de positie van bedrijven met een platform in de omzetranking in een bepaald jaar en het voorgaande jaar. Met andere woorden, de omzet van bedrijven met een platform ten opzichte van andere platformen verandert weinig. Voor de periode 2020-2023 zijn de rangcorrelaties iets lager (maar nog steeds erg hoog), wat betekent dat de verschuivingen in de posities van bedrijven met een platform iets groter zijn wanner de periode iets langer is. 

Omdat de interpretatie van rangcorrelaties misschien niet helemaal intuïtief is, zijn ook de veranderingen in de ranking uitgedrukt in decielen (Tabel 4.3.2). Voor alle perioden is de verandering voor de grootste groep minder dan 1 deciel. Dat betekent dat het overgrote deel van de bedrijven met een platform minder dan 10 procent stijgt of daalt in de omzetranking. Een klein deel van de bedrijven met een platform stijgt of daalt echter wel meer dan 10 procent in de omzetranking. Vanwege een te groot risico op onthulling kon de ranking uitgedrukt in decielen niet worden gepresenteerd voor specifieke bedrijfstakken.

4.3.2 Verandering ranking omzet bedrijven met een platform,
2020-2023 (%)
Verandering ranking omzet2020-20212021-20222022-20232020-2023
Stijging van 2 of meer decielen2215
Stijging van 1 tot decielen6326
Minder dan 1 deciel stijging of daling88909179
Daling van 1 tot 2 decielen3356
Daling van 2 of meer decielen2224

We concluderen dat het mogelijk is kwalitatief afdoende cijfers over positieveranderingen van bedrijven met een online platform te berekenen en te publiceren. Bij de interpretatie van de cijfers is het volgende echter van belang. Wanneer je rangcorrelaties binnen een strikt afgebakende markt zou berekenen zouden deze een maat zijn voor de dynamiek in deze markt. Een lage rangcorrelatie zou erop kunnen duiden dat de bedrijven die in het ene jaar ‘leidend zijn’ (uitgedrukt in omzet), het andere jaar minder leidend zijn. Voor de interpretatie van rangcorrelaties voor online platformen is het van belang te beseffen dat online platformen actief zijn in velerlei verschillende markten en vaak slechts een deel van de markt ‘dekken’. De rangcorrelaties voor online platformen kunnen dus niet worden geïnterpreteerd als maat voor de marktdynamiek. Deze moeten eerder worden opgevat als verandering in de relatieve positie ten opzichte van andere platformen. Het gaat dus om veranderingen ten opzichte van bedrijven die ook platformdiensten leveren, maar dit wel in een hele andere markt kunnen doen. 

Het ontbreekt op dit moment ook aan het referentie voor de interpretatie van de resultaten. Hoe verhoudt de sterkte van de positieveranderingen zich ten opzichte van andere groepen bedrijven, al dan niet in goed afgebakende markten? Een dergelijk inzicht zou de resultaten voor de bedrijven met een online platform in perspectief plaatsen.

4.4 Starters

Na een inventarisatie van de mogelijkheden om kwalitatief afdoende cijfers over startende online platformen te publiceren concluderen we dat dit niet mogelijk is. De belangrijkste reden is dat de groep startende bedrijven met een online platform te klein is om cijfers over te maken. Een andere redenen is dat het niet goed mogelijk is voldoende onderscheid te maken tussen het starten van een bedrijf en het starten van een online platform. In het bedrijvenregister is terug te vinden wanneer bedrijven zijn ‘geboren’. Het is hiermee mogelijk het moment van ‘geboorte’ te identificeren van het bedrijf dat hoort bij een online platform dat in een bepaald jaar in beeld is bij het CBS. Het kan echter zijn dat het bedrijf al enige tijd bestond voordat het bedrijf het initiatief nam het platform te starten. Dit onderscheid is niet goed te maken. Ook kunnen bedrijven fuseren en het kunnen platformen overgaan van eigenaar. Dit alles compliceert het verder in kaart brengen van cijfers over startende online platformen te zeer.

5. Hostingbedrijven in Nederland

Dit hoofdstuk geeft antwoord op de vraag of het CBS cijfers kan maken over het aantal hostingbedrijven in Nederland, op een manier die voldoende betrouwbaar is. Uit onderzoek blijkt dat dit op dit moment niet goed mogelijk is met de huidige beschikbare informatie bij het CBS. De voornaamste reden hiervoor is dat de populatie hostingbedrijven lastig af te bakenen is. In dit hoofdstuk zal worden toegelicht welke mogelijkheden om de populatie af te bakenen zijn nagegaan en waarom deze afbakening niet haalbaar is. Daarna wordt een aantal potentiële vervolgstappen besproken waarmee in de toekomst toch mogelijk een (gedeeltelijk) beeld van de populatie hostingbedrijven kan worden vastgelegd.

5.1 SBI-groepering

Voor het afbakenen van bedrijvenpopulaties wordt binnen het CBS eerst gekeken naar de standaard bedrijfsindeling (SBI) die bedrijven categoriseert op basis van de hoofdactiviteit van het bedrijf. Hostingbedrijven vallen niet één op één samen met een specifieke SBI-groep of -klasse. Wel bestaat de SBI-klasse 6311, waaronder een aantal typen hostingbedrijven valt. De klasse 6311 bevat bedrijven met de volgende hoofdactiviteiten:

  • gegevensverwerking, data-entry, datacentra, rekencentra;
  • hosting: opslaan van websites, data, informatie, afbeeldingen, video’s, e.d., cloud services;
  • webhosting, streaming services, application hosting;
  • hosten van bijvoorbeeld condoleancesites;
  • beheer van domeinnamen.

Hoewel SBI-klasse 6311 een aantal belangrijke hostingdiensten bevat, zijn er twee tekortkomingen aan het gebruik van afbakening puur op basis van deze SBI-klasse. Deze worden verder toegelicht in de volgende twee paragrafen.

5.1.1 SBI-klasse 6311 bevat ook niet-hostingbedrijven

Het eerste probleem met SBI-klasse 6311 is dat deze ook een aantal typen bedrijven bevat die niet gezien worden als hostingbedrijven, bijvoorbeeld datacentra en streaming services. Datacentra zijn fysieke locaties waar apparatuur staat die nodig is om digitale informatie op te slaan. Hoewel hostingdiensten deze infrastructuur nodig hebben om te functioneren, valt het aanbieden van deze apparatuur niet onder de DSA-definitie van een hostingdienst. Streamingdiensten zijn geen hostingdiensten omdat er door deze diensten geen informatie wordt opgeslagen die verstrekt is door de afnemer van deze diensten. Ze bieden namelijk ingekochte informatie aan van een derde partij. Als SBI-klasse 6311 wordt gebruikt als afbakening van hostingbedrijven, dan worden ook niet-hostingbedrijven geïncludeerd. 

In 2023 waren er ongeveer 4850 bedrijven die tot SBI-klasse 6311 behoorden. Om een beeld te krijgen van de verhouding hostingbedrijven en niet-hostingbedrijven in SBI-klasse 6311 is uit deze bedrijven een steekproef van 100 bedrijven getrokken. Aan deze bedrijven is een website gekoppeld, die gebruikt werd om in te schatten of het betreffende bedrijf hostingdiensten aanbiedt. Het bleek dat 44 procent van de bedrijven in deze steekproef een hostingbedrijf (volgens de DSA-definitie) is. Van deze 44 procent bestond 84 procent uit bedrijven die webhosting diensten aanbieden. De groep niet-hostingbedrijven bestond uit diverse typen bedrijven. De meest voorkomende typen waren website designers, ICT hulp en marketingbedrijven. De websites van de twintig bedrijven in SBI-klasse 6311 met de hoogste omzet (in 2023) zijn apart onderzocht. Van deze bedrijven voldeed 55 procent aan de DSA-definitie van een hostingbedrijf. De meeste van deze hostingbedrijven bieden clouddiensten aan. Van de niet-hostingbedrijven bestond het grootste deel uit datacenters.

Uit deze inventarisatie blijkt dat SBI-klasse 6311 een te diverse groep bedrijven omvat om te kunnen gebruiken als afbakening van hostingbedrijven volgens de DSA-definitie. Een filtering van de bedrijven in SBI-klasse 6311 zou kunnen leiden tot een scherpere afbakening. Het is alleen nog onduidelijk of basis van welke beschikbare gegevens een bruikbare scheiding gemaakt kan worden. Een dergelijk filter zou echter niet het probleem dat in de volgende paragraaf (5.1.2) wordt besproken oplossen. 

5.1.2 Een groot deel van de hostingbedrijven valt niet in SBI-klasse 6311

Naast dat SBI-klasse 6311 ook niet-hostingbedrijven bevat, zijn er ook veel hostingbedrijven die niet in SBI-klasse 6311 vallen. De voornaamste reden hiervoor is dat de SBI indeelt op basis van de hoofdactiviteit van het bedrijf. De DSA-wetgeving is daarentegen al van toepassing wanneer een onderdeel van de activiteiten van het bedrijf bestaat uit hostingdiensten aanbieden. Dit betekent dat bedrijven die op basis van hun hoofdactiviteit zijn ingedeeld in een andere SBI-klasse, maar wel hostingdiensten aanbieden, gemist zullen worden in een afbakening op alleen SBI-klassen. Aangezien in de digitale markt veel bedrijven meerdere typen diensten leveren, is dit een situatie die regelmatig voorkomt. 

Figuur 2.5.2 geeft een illustratie van dit probleem. In deze figuur is te zien dat voor alle grootteklassen minder dan 50 procent van de online platformen in SBI-hoofdklasse J informatie en communicatie zit. Omdat SBI-klasse 6311 een subcategorie is van hoofdklasse J, en de DSA aangeeft dat online platformen een subcategorie van hostingbedrijven zijn, betekent dit dat SBI-klasse 6311 al meer dan 50 procent van dit type hostingbedrijven niet bevat. Naar verwachting zal er van ander typen hostingbedrijven een groot deel worden gemist wanneer SBI-klasse 6311 als afbakening wordt gebruikt.

5.1.3 SBI2025

Zoals genoemd werd in hoofdstuk 2 zal vanaf 2025 een herziene SBI in gebruik worden genomen. Vanaf 2026 zal deze nieuwe indeling volledig worden doorgevoerd in de statistieken van het CBS. In de nieuwe indeling zal SBI-klasse 6311 worden opgesplitst in drie afzonderlijke klassen: 6310 Inrichten van computerinfrastructuur, gegevensverwerking, hosting en aanverwante activiteiten, 6020 Samenstellen en uitzenden van televisieprogramma’s en distributie van video’s, 6039 Overige activiteiten op het gebied van de verspreiding van inhoud. In deze nieuwe versie van de SBI is de groep waar hostingactiviteiten onderdeel van zijn iets smaller dan in de oude SBI2008 indeling waardoor het probleem omschreven in 5.1.1 mogelijk iets verkleind wordt. Het probleem omschreven in 5.1.2 wordt niet opgelost door de nieuwe SBI in 2025. 

Er kan geconcludeerd worden dat de SBI alleen niet voldoende geschikt is om de populatie hostingbedrijven die onder de DSA vallen af te bakenen. De invoering van de nieuwe SBI2025 indeling zal hier geen verandering in brengen.

5.2 Classificatie op basis van webscraping

Wanneer de SBI niet gebruikt kan worden voor de afbakening van een specifieke bedrijvenpopulatie, biedt webscraping en modellering in sommige gevallen een alternatief (zie o.a. Monitor online platformen). Deze techniek zou, in theorie, ook ingezet kunnen worden voor de afbakening van de populatie hostingbedrijven. Na een conceptuele verkenning, beschreven in de tekst die nu volgt, is echter geconcludeerd dat deze techniek niet geschikt is voor dit doel. 

Voor het classificeren van bedrijven op basis van websiteteksten is het van groot belang dat de websites voldoende informatie bevatten om een juiste classificatie te maken. Hierbij is de classificatie beter uit te voeren wanneer de classificatie-categorieën duidelijk te onderscheiden zijn en iedere categorie enkel soortgelijke observaties bevatten. Voor de hostingbedrijven moet op basis van de websitetekst duidelijk worden of het bedrijf op verzoek van de afnemer diens informatie opslaat. Om verschillende redenen lijkt dit lastig te worden in praktijk.

Ten eerste is op basis van de tekst op de website van een bedrijf niet altijd duidelijk of het bedrijf hostingdiensten aanbiedt. E-mail diensten, zoals Gmail, zijn hostingbedrijven, aangezien informatie in de vorm van e-mails en bijgevoegde bestanden worden opgeslagen in in- en outboxen op aanvraag van de gebruiker. Toch is het zonder contextuele informatie lastig te bepalen of Gmail een hostingdienst is puur op basis van de websitetekst. Een andere reden waarom websiteteksten niet voldoende aanknopingspunten bieden voor het identificeren van hostingbedrijven is dat veel grotere bedrijven meerdere verschillende diensten aanbieden waar hostingdiensten maar een klein gedeelte van kunnen zijn. In deze gevallen heeft soms maar een klein deel van de websitetekst betrekking op hosting. Het classificeren op basis van websiteteksten kan ook worden bemoeilijkt als de informatie die kenmerkend is voor de hostingactiviteiten verwerkt is in de web interface en niet in de tekst. Denk hierbij aan video’s, plaatjes en interactieve delen van de website. 

Een tweede probleem is dat de categorie hostingbedrijven erg breed is en geen duidelijk eenduidige kenmerken heeft. Hierdoor is het lastig een algoritme te ontwikkelen dat alle typen hostingbedrijven herkent. Er zullen bijvoorbeeld weinig overeenkomsten zijn tussen de websites van aanbieders van clouddiensten en online marktplaatsen, wat toch beide hostingbedrijven zijn. Wij verwachten dat het aantal bedrijven dat informatie opslaat van gebruikers op hun verzoek groot is, zeker onder bedrijven met digitale of online diensten. Bij dit type diensten is het namelijk redelijk gebruikelijk om informatie van de afnemers van de dienst op te slaan. Denk bijvoorbeeld aan reactiepagina’s of fora op websites. Het laatste probleem is dat wanneer is vastgesteld dat een bedrijf gegevens opslaat, het erg lastig kan zijn om vast te stellen op wiens verzoek dit gebeurt, van wie de originele gegevens zijn en om hoeveel gegevens het gaat. Deze informatie is vaak niet openbaar beschikbaar. Aangezien deze zaken essentieel zijn voor het categoriseren van hostingbedrijven, maakt dit deze taak moeilijk. Zo kan het bij vergelijkingssites onduidelijk zijn of gegevens worden opgeslagen (en gedeeld) op het verzoek van de aanbieders op de website. 

Er kan geconcludeerd worden dat het gebruik van webscraping en classificatietechnieken geen aanknopingspunten bieden voor het afbakenen van hostingbedrijven volgens de DSA-definitie.

5.3 Haalbaarheid identificatie hostingbedrijven

Zoals beschreven in de vorige twee paragrafen zijn de SBI en webscraping niet voldoende bruikbaar voor de afbakening van de populatie hostingbedrijven volgens de definitie van de DSA. Er zijn op dit moment ook nog geen andere databronnen of registers beschikbaar waar de populatie hostingbedrijven mee kan worden afgebakend. Er zijn wel twee branche organisaties, Dutch Cloud Community en CISPE, met ledenlijsten. Deze lijsten bevatten zeker niet alle bedrijven die hostingdiensten aanbieden. Het is momenteel niet haalbaar cijfers over het aantal hostingbedrijven te produceren en zonder nieuwe databronnen of methoden zal dit in de toekomst lastig blijven.

De grootste moeilijkheid bij het afbakenen van de populatie hostingbedrijven is dat de DSA-definitie van een hostingdienst ontzettend breed is en niet alleen betrekking heeft op de hoofdactiviteit van bedrijven. Veel verschillende typen bedrijven bieden hostingdiensten aan, waarbij dit ook vaak een nevenactiviteit is. Een andere moeilijkheid is dat het in veel gevallen lastig te achterhalen is van wie, en op wiens verzoek gegevens worden opgeslagen. Op basis van reeds beschikbare informatie is dus niet in afdoende mate te achterhalen welke bedrijven hostingdiensten aanbieden. Voor buitenlandse hostingbedrijven die actief zijn in Nederland zijn er nog grotere obstakels om tot een identificatie te komen, aangezien het CBS nauwelijks of geen informatie heeft over niet-Nederlandse bedrijven.

5.4 Mogelijke vervolgstappen

Hoewel het volledig in kaart brengen van Nederlandse hostingbedrijven niet haalbaar is met de huidige beschikbare data en methoden, zijn er wel vervolgstappen mogelijk. Een aantal subcategorieën van hostingbedrijven kan bijvoorbeeld mogelijk wel in beeld gebracht  worden. Daarnaast zijn er, in potentie, mogelijkheden om in de toekomst informatie te verzamelen over hostingbedrijven binnen de CBS enquête ICT-gebruik bedrijven. Het meest ideaal voor het maken van een afbakening van hostingdiensten zou een registratieplicht voor dergelijke bedrijven zijn, maar hier zijn tot dusver geen plannen voor.

In dit rapport en in de monitor online platformen geeft het CBS al een beeld van de populatie online platformen, een subgroep van hostingbedrijven. Daarnaast heeft het CBS in 2021 een pilotonderzoek voor EZ uitgevoerd waarin een populatie Nederlandse clouddiensten aanbieders wordt afgebakend en beschreven.5 Ook clouddiensten zijn volgens de DSA hostingdiensten. Eenzelfde soort onderzoek kan mogelijk herhaald worden om de huidige populatie clouddiensten aanbieders in kaart te brengen, waarbij het gebruik van een verbeterde classificatietechniek bekeken kan worden. Momenteel (eerste helft 2025) loopt er bij het CBS ook een verkennend onderzoek voor EZ naar de mogelijkheden om uitgebreidere cijfers te produceren over aanbieders van clouddiensten. De uitkomsten van dit onderzoek kunnen mogelijk gebruikt worden om verder inzicht te krijgen in de beschikbare informatie over clouddiensten.

Een laatste subcategorie waar eventueel een populatie afbakening voor gemaakt zou kunnen worden zijn de webhosting bedrijven. Uit de steekproef van SBI-klasse 6311 blijkt dat bedrijven die deze dienst leveren dit vaak duidelijk op hun website hebben vermeld. Dit betekent dat webscraping en classificatietechnieken mogelijk aanknopingspunten bieden om deze specifieke diensten af te bakenen. Om dit verder uit te zoeken zou nieuw onderzoek nodig zijn. De drie genoemde typen hostingbedrijven (online platformen, clouddiensten en webhostingdiensten) zouden bij elkaar een beeld kunnen geven van eenduidig afgebakende subgroepen binnen de volledige populatie hostingbedrijven.

Een andere mogelijkheid om een beeld te krijgen van bedrijven die hostingdiensten aanbieden is het starten van een nieuwe dataverzameling, bijvoorbeeld binnen de CBS enquête ICT-gebruik bedrijven. Deze enquête wordt ieder jaar uitgestuurd naar een steekproef Nederlandse bedrijven. De resultaten worden zodanig gewogen dat er een representatief beeld ontstaat van het ICT-gebruik van alle Nederlandse bedrijven. Een mogelijke vraag die zou kunnen worden toegevoegd is: ‘Slaat uw bedrijf op verzoek van de gebruiker informatie op verstrekt door de gebruiker?’ Ter verduidelijking zouden hier voorbeelden van hostingdiensten bij kunnen worden weergeven. Het is belangrijk te noemen dat de druk op deze enquête hoog is. De vrije ruimte, naast het door Eurostat voorgeschreven deel, is beperkt en de wensen zijn groter dan de beschikbare ruimte. Daarnaast kost het ontwikkelen van goede nieuwe vragen tijd. Een voorwaarde voor het uitvragen van het aanbod van hostingdiensten is dat bedrijven zelf goed inzicht hebben in of ze hostingdiensten aanbieden of niet. De mate waarin dit het geval is, is onbekend. Een voordeel van deze aanpak zou zijn dat er geen gebruik gemaakt hoeft te worden van websiteteksten en dat er niet alleen wordt afgegaan op de hoofdactiviteit van het bedrijf, zoals bij de SBI aanpak het geval is. Een nadeel kan zijn dat de vragenlijst niet integraal wordt uitgestuurd en er dus geen register van alle hostingbedrijven wordt opgebouwd.

Referenties

Europees Parlement (2022), Artikel 3, sub g, onder iii, on a Single Market For Digital Services and amending Directive 2000/31/EC (Digital Services Act).

Autoriteit Consument & Markt (ACM) (2024), punt 34, DSA Leidraad Zorgvuldigheidsverplichtingen tussenhandeldiensten.

Autoriteit Consument & Markt (ACM) (2024), punt 26, DSA Leidraad Zorgvuldigheidsverplichtingen tussenhandeldiensten.

Autoriteit Consument & Markt (ACM) (2024), punt 106, DSA Leidraad Zorgvuldigheidsverplichtingen tussenhandeldiensten.

CBS (2021), Aanbieders clouddiensten, Pilotonderzoek naar aanbieders van clouddiensten in Nederland.