4. Patenteren en exporteren: beschrijvende analyse
In het vorige hoofdstuk is uiteen gezet hoe de patentinformatie van bedrijven gekoppeld is aan het Algemeen Bedrijvenregister en hoe patenten via de technologiegebieden waarop zij betrekking hebben gekoppeld zijn aan individuele exportproducten van ondernemingen. In dit hoofdstuk schetsen we een beeld van de populatie patenterende en exporterende ondernemingen in Nederland en hun activiteiten.
4.1 Schets van de patenterende ondernemingenpopulatie
Figuur 4.1 brengt in beeld welk deel van de ondernemingen patenteert en Figuur 4.2 laat zien hoe frequent iedere groep patenteert, afgezet tegen verschillende bedrijfskenmerken. Daarbij kijken we naar de populatie ondernemingen in 2020, terwijl we voor het identificeren van de patenterende populatie ondernemingen selecteren die in de periode 2013-2020 minimaal een patent hebben aangevraagd. Allereerst is duidelijk te zien dat grotere ondernemingen vaker patenteren. Bij een ondernemingsomvang tot 10 werkzame personen doet slechts 0,1 procent van de ondernemingen minstens een patentaanvraag. Dit loopt op met bedrijfsomvang tot ruim 12 procent bij de grootste ondernemingen. Daarnaast doen multinationals veel vaker patentaanvragen dan niet-multinationals. Wat daarbij opvalt is dat Nederlandse multinationals (ruim 7 procent) vaker patentaanvragen doen dan buitenlandse multinationals (ruim 3 procent).4) Mogelijk worden patentaanvragen door buitenlandse multinationals vaker afgewikkeld door het buitenlandse moederbedrijf en niet door de Nederlandse dochteronderneming, waardoor deze in Nederland niet zichtbaar zijn in de statistieken. Als we deze kenmerken samenvoegen en het zelfstandig midden- en kleinbedrijf (zmkb) apart bezien van ondernemingen die buiten het zmkb vallen, dan zien we dat het patenteren van uitvindingen door het zmkb zeer uitzonderlijk is: slechts 0,1 procent van de ondernemingen in 2020 heeft in de voorafgaande periode een patentaanvraag gedaan. Buiten het zmkb ligt dit percentage met 4,7 procent aanzienlijk hoger. Niettemin is met 1 op de 20 ook onder deze groep ondernemingen patentering zeker geen gemeengoed.
| Figuur 4.1 Patenterende ondernemingen naar type (2020) | Aandeel patenterende ondernemingen in populatie |
|---|---|
| Zelfstandig mkb | 0,12 |
| Overige ondernemingen | 4,73 |
| Buitenlandse multinational | 3,41 |
| Nederlandse multinational | 7,41 |
| Niet-multinational | 0,12 |
| 250 of meer werkzame personen | 12,21 |
| 50-249 werkzame personen | 6,19 |
| 10-49 werkzame personen | 1,66 |
| 2-9 werkzame personen | 0,23 |
| 0-1 werkzame persoon | 0,06 |
Figuur 4.2 toont dezelfde informatie als Figuur 4.1, maar dan verbijzonderd naar bedrijfstak.5) Dan zien we dat patentering van uitvindingen met name van belang is in een aantal industriële sectoren. De farmaceutische industrie springt er vooral uit. Ruim 12 procent van de ondernemingen in deze bedrijfstak heeft patentaanvragen gedaan in de periode 2012-2020. Ook in de elektrotechnische en machine-industrie en de raffinage, chemie en kunststofindustrie zijn de percentages patenterende ondernemingen relatief hoog met ruim 6 procent. Buiten de industrie valt de groothandel op. In deze bedrijfstak patenteert bijna 1 procent van de ondernemingen. In relatieve termen lijkt dat niet veel, maar er zijn veel ondernemingen actief in deze bedrijfstak, waardoor het in aantallen patenterende ondernemingen een van de grootste bedrijfstakken is.
| Aandeel patenterende ondernemingen in populatie | |
|---|---|
| Farmaceutische industrie | 12,6 |
| Elektrotechnische en machine-industrie | 6,61 |
| Raffinaderijen, chemie en kunststof | 6,61 |
| Transportmiddelenindustrie | 2,65 |
| Metaalindustrie | 1,23 |
| Hout- en bouwmaterialenindustrie | 1,21 |
| Delfstoffenwinning, water, energie en afval | 1,17 |
| Voedingsmiddelen-, en tabakindustrie | 0,81 |
| Papier en grafische industrie | 0,75 |
| Groothandel | 0,7 |
| Textiel-, kleding-, en lederindustrie | 0,52 |
| Overige industrie en reparatie | 0,45 |
| Overige dienstverlening | 0,12 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 0,09 |
| Vervoer en opslag | 0,08 |
| Bouwnijverheid | 0,08 |
| Detailhandel en horeca | 0,04 |
Figuur 4.3 laat zien in hoeverre er verschillen bestaan tussen ondernemingen die wel en niet patenteren in de mate waarin zij actief zijn in de goederenexport. Deze figuur is gebaseerd op dezelfde groep ondernemingen als Figuur 4.1. Met betrekking tot goederenexport zien we logischerwijs dat grotere en multinationale ondernemingen over het algemeen veel vaker actief zijn op internationale markten dan kleinere, binnenlandse ondernemingen. Een nieuwe bevinding is dat dit in aanzienlijk sterkere mate geldt voor patenterende ondernemingen. Zo zien we dat in de populatie Nederlandse multinationals die niet patenteert bijna een derde van de ondernemingen actief is als goederenexporteur. Onder patenterende Nederlandse multinationals is dat ruim 80 procent. Onder buitenlandse multinationals is dit verschil zelfs nog wat groter. Bij de grote groep ondernemingen met 2 tot 10 werkzame personen (ruim 350.000 ondernemingen) zien we een soortgelijk beeld: 3 procent van de niet-patenterende ondernemingen in deze categorie exporteert goederen terwijl ruim een derde van de ondernemingen die wel patenteert dat doet. Bij de grootste ondernemingen die patenteren loopt dit percentage op tot rond de 90 procent, terwijl onder de grootste niet-patenterende ondernemingen het aandeel exporteurs niet veel hoger komt dan een kwart. Ook hier zien we het beeld van de kenmerken bedrijfsomvang en multinationaliteit samengebald in het zmkb-kenmerk. In het zmkb exporteert 1 procent van de niet-patenterende ondernemingen tegenover 32 procent van de zmkb’ers die wel een patentaanvraag hebben gedaan in de achterliggende periode. Bij ondernemingen buiten het zmkb is het beeld vergelijkbaar, maar zijn deze percentages aanzienlijk hoger: 27 versus 82 procent. In relatieve termen is het dus zo dat patentering veel vaker gepaard gaat met export binnen het zmkb dan in de vergelijking tussen ondernemingen buiten het zmkb.
| Aandeel exporteurs onder patenterende ondernemingen | Aandeel exporteurs onder niet-patenterende ondernemingen | |
|---|---|---|
| Zelfstandig mkb | 32,08 | 0,98 |
| Overige ondernemingen | 82,71 | 27,25 |
| Buitenlandse multinational | 84,23 | 27,14 |
| Nederlandse multinational | 82,35 | 31,73 |
| Niet-multinational | 33,28 | 0,98 |
| 250 of meer werkzame personen | 90,26 | 25,91 |
| 50-249 werkzame personen | 86,67 | 27,15 |
| 10-49 werkzame personen | 65,76 | 14,53 |
| 2-9 werkzame personen | 33,49 | 2,78 |
| 0-1 werkzame persoon | 6,84 | 0,37 |
Resumerend stellen we vast dat het doen van patentaanvragen geen gemeengoed is onder Nederlandse ondernemingen in algemene zin, maar relatief vaker wordt gedaan door grotere en multinationale ondernemingen in specifieke bedrijfstakken. Daarnaast zien we in alle groepen dat ondernemingen die patentaanvragen doen relatief gezien ook veel vaker actief zijn als exporteur.
Samenstelling van de export van bedrijfstakken
In de Nederlandse industrie als geheel kan 16 procent van de goederenexport worden gekoppeld aan één of meer onderliggende patentaanvragen. Dat wil zeggen, als we patentaanvragen aan de hand van het technologiegebied waarop zij betrekken koppelen aan exportproducten van bedrijven, dan kunnen we een beeld schetsen van de export die met patentbescherming wordt gerealiseerd. Daarbij beschouwen we alle export van een patent gerelateerd product vanaf het jaar van de patentaanvraag als gepatenteerde export, ongeacht het bestemmingsland van deze export. Immers, op dit moment is het onvoldoende mogelijk om de bestemmingsland-dimensie mee te nemen in deze exercitie en te bepalen in welke landen een specifieke patentaanvraag bescherming biedt. Daarnaast beschouwen we alleen de export van producten van Nederlandse makelij, en dus niet de wederuitvoer, als potentieel gepatenteerde export. Immers, wederuitvoer betreft producten die een onderneming importeert en zonder noemenswaardige bewerking weer exporteert. Het lijkt daarbij niet aannemelijk dat patentering in het wederuitvoerproces een belangwekkende rol speelt.
Figuur 4.4 en Figuur 4.5 zoomen in op verschillen tussen bedrijfstakken in de mate waarin patentering van belang is voor de export. Figuur 4.4 toont de absolute waarde van de goederenexport waarop patentbescherming van toepassing is, waarbij we de periode 2016-2020 gecumuleerd beschouwen. Figuur 4.5 laat vervolgens wat het relatieve belang van deze gepatenteerde export is voor de totale goederenexport van een bedrijfstak. De verschillen tussen bedrijfstakken zijn aanzienlijk. In absolute zin is er een duidelijke top-3 van bedrijfstakken waarin patentering gepaard gaat met aanzienlijk exportstromen. In de raffinage, chemie en kunststofindustrie, de elektrotechnische en machine-industrie en de voedingsmiddelenindustrie worden in een tijdsbestek van vijf jaar exportstromen van 25 à 35 miljard euro gerealiseerd met onderliggende patentbescherming. Ook andere industriële sectoren, zoals de metaalindustrie, de farmaceutische industrie en de transportmiddelenindustrie worden gepatenteerde producten geëxporteerd voor aanzienlijke bedragen.
| Bedrijfstak | Export van goederen van Nederlandse makelij met onderliggend patent (Cumulatieve exportwaarde 2016-2020 (x mln euro)) |
|---|---|
| Raffinaderijen, chemie en kunststof | 35041,8 |
| Elektrotechnische en machine-industrie | 29469,4 |
| Voedingsmiddelen-, en tabakindustrie | 26556,8 |
| Metaalindustrie | 12129,2 |
| Transportmiddelenindustrie | 7811,3 |
| Groothandel | 6237,5 |
| Farmaceutische industrie | 5337,7 |
| Overige dienstverlenende sectoren | 2910,7 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 1058,6 |
| Papier en grafische industrie | 932,6 |
| Textiel-, kleding-, en lederindustrie | 913,5 |
| Overige industrie en reparatie | 756,0 |
| Bouwnijverheid | 481,2 |
| Detailhandel en horeca | 452,1 |
| Delfstoffenwinning, water, energie en afval | 297,0 |
| Vervoer en opslag | 202,2 |
| Hout- en bouwmaterialenindustrie | 97,1 |
Patentering is in procentuele zin het belangrijkst voor de export van de farmaceutische industrie. Ruim 20 procent van de totale export van deze bedrijfstak vindt plaats onder bescherming van een patent. Als we wederuitvoer buiten beschouwing laten gaat het zelfs om een derde van de export van producten van eigen makelij. Ook voor de metaalindustrie, de machine-industrie en de voedingsmiddelenindustrie is patentering van bovengemiddeld belang voor de export. In deze bedrijfstakken speelt wederuitvoer echter een aanzienlijk minder grote rol, waardoor patentering voor de export van producten van eigen makelij van minder groot belang is dan in de farmaceutische industrie. In de raffinage, chemie en kunststofindustrie genereert patentering in absolute zin de hoogste exportwaarde zoals we in Figuur 4.4 zagen, maar in relatieve zin vinden we deze bedrijfstak pas terug op plek 4, omdat er in deze bedrijfstak ook aanzienlijke exporten van producten van Nederlandse makelij zonder onderliggend patent worden gerealiseerd. In de kledingindustrie, de bouwmaterialen-industrie en de papierindustrie is patentering juist van relatief beperkt belang.
De groothandel is een geval apart. Door deze bedrijfstak worden de grootste exportstromen gerealiseerd. Dat komt enerzijds door het grote belang van wederuitvoer in deze bedrijfstak en anderzijds door het grote aantal ondernemingen dat in deze bedrijfstak actief is. Patentering speelt qua exportwaarde in relatieve zin geen grote rol in deze bedrijfstak, maar in absolute zin is de groothandel toch de zesde bedrijfstak wat gepatenteerde export betreft.
Kijkend naar de domeinen waar het Nederlands bedrijfsleven internationaal toonaangevend is en bekend staat als innovatief bieden Figuur 4.4 en Figuur 4.5 intuïtief een logisch beeld.
| Aandeel gepatenteerde export in totale goederenexport (incl. wederuitvoer) | Aandeel gepatenteerde export in goederenexport Nederlandse makelij | |
|---|---|---|
| Farmaceutische industrie | 21,34 | 33,38 |
| Elektrotechnische en machine-industrie | 17,89 | 24,30 |
| Metaalindustrie | 19,90 | 22,87 |
| Raffinaderijen, chemie en kunststof | 15,63 | 20,53 |
| Voedingsmiddelen-, en tabakindustrie | 16,99 | 20,19 |
| Transportmiddelenindustrie | 12,57 | 16,61 |
| Overige dienstverlenende sectoren | 4,96 | 12,69 |
| Textiel-, kleding-, en lederindustrie | 8,93 | 10,89 |
| Bouwnijverheid | 5,68 | 8,66 |
| Overige industrie en reparatie | 4,65 | 6,99 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 5,03 | 6,42 |
| Papier en grafische industrie | 4,79 | 5,35 |
| Groothandel | 1,22 | 2,76 |
| Hout- en bouwmaterialenindustrie | 1,45 | 1,69 |
| Detailhandel en horeca | 0,76 | 1,52 |
| Delfstoffenwinning, water, energie en afval | 0,53 | 0,73 |
| Vervoer en opslag | 0,24 | 0,56 |
Samenhang van productiviteit, patentering en exportgedrag
In hoofdstuk 2 is de rol van productiviteit kort de revue gepasseerd. De productiviteit van bedrijven speelt een cruciale rol in het samenspel tussen patenteren en exporteren. Dat wil zeggen, R&D kan leiden tot innovatie die de productiviteit van een bedrijf verhoogt, waardoor een bedrijf uiteindelijk productief genoeg is om de investering te dragen die nodig is om de stap over de grens te zetten. Dit wordt in de literatuur zelfselectie van productievere bedrijven voor de export genoemd (zie bijvoorbeeld Wagner, 2012). Omgekeerd kan een bedrijf leren of financieel ruimte creëren door zaken te doen op buitenlandse markten en de omgang met buitenlandse concurrentie. Daardoor kan de innovatieve capaciteit van een bedrijf worden vergroot, wat uiteindelijk de productiviteit ten goede kan komen. Eerder onderzoek onder Nederlandse bedrijven (CBS, 2020; Rud et al., 2023) heeft daarbij met betrekking tot de rol van productiviteit laten zien dat een hogere productiviteit tot gevolg heeft dat investeringen in R&D in versterkte mate leiden tot meer export. Met andere woorden, hoogproductieve bedrijven halen een hoger rendement uit investeringen in R&D in termen van meer export dan laagproductieve bedrijven. Dat geldt bovendien in versterkte mate voor mkb-bedrijven.
Figuur 4.6 Arbeidsproductiviteit, patent- en exportgedrag (2020)

In Figuur 4.6 bekijken we de drie dimensies productiviteit, patentgedrag en exportgedrag in samenhang met elkaar.6) Productiviteit is daarbij gemeten als (de log van) de toegevoegde waarde (in duizenden euro’s) per werkzame persoon. Vanwege de eerdere bevindingen van Rud et al. (2023) ten aanzien van de differentiële resultaten voor het mkb maken we dat onderscheid in onze analyse ook. De resultaten laten zien dat in algemene zin de arbeidsproductiviteit bij ondernemingen die exporteren hoger is dan bij ondernemingen die niet exporteren, terwijl patentering daarbij nog met een nog hogere productiviteit gepaard gaat. Dat wil zeggen, de arbeidsproductiviteit van ondernemingen die zowel patenteren als exporteren is gemiddeld hoger dan van bedrijven die alleen exporteren en niet patenteren. Daarbij valt ook de spreiding van de arbeidsproductiviteit in de verschillende groepen op. Die spreiding is namelijk aanzienlijk groter onder ondernemingen die patenteren noch exporteren, met name aan de onderkant van de productiviteitsverdeling. Dit suggereert dat er sprake is van een drempelwaarde, in die zin dat bedrijven een bepaald minimumniveau van productiviteit nodig hebben als voorwaarde om met innovatie of export bezig te kunnen zijn. Verder zien we in de figuur dat de productiviteit van ondernemingen buiten het zmkb gemiddeld hoger is dan van ondernemingen in het zmkb. Dat is een bekend stylized fact uit de literatuur met betrekking tot heterogeniteit van bedrijven (zie bijvoorbeeld de surveystudie van Wagner, 2012). Daarnaast is in het zmkb de productiviteit van exporterende bedrijven gemiddeld fors hoger dan van niet-exporterende bedrijven. Het verschil tussen die twee groepen is aanzienlijk groter dan in de populatie ondernemingen die niet tot het zmkb behoort.7)
Het aan de hand van Figuur 4.6 geschetste beeld moet wel met enige voorzichtigheid bezien worden. Het betreft namelijk uitsluitend beschrijvende associaties, waarbij op geen enkele manier rekening wordt gehouden met andere factoren die de relatie tussen patent- en exportgedrag en productiviteit beïnvloeden. Eén van de factoren die daarbij een rol zou kunnen spelen is de samenstelling in termen van bedrijfstakken. Figuur 4.7 toont daarom hetzelfde beeld als Figuur 4.6, maar dan voor vier verschillende bedrijfstakken waarin patentering relatief veel voorkomt en waar voldoende observaties beschikbaar zijn om deze figuren samen te stellen: de chemische industrie, de groothandel, de machinebouw en de metaalindustrie. Dan zien we in grote lijnen hetzelfde beeld verschijnen als in Figuur 4.6. Dat wil zeggen, (1) innovatie en export hangen samen met een hogere productiviteit, (2) daarbij zien we met name in het zmkb een fors verschil in productiviteit tussen ondernemingen die wel en niet exporteren en (3), globaal zien we een lagere gemiddelde productiviteit in het zmkb. De machinebouw en de metaalindustrie bieden een verrassend beeld voor wat betreft de ondernemingen buiten het zmkb die exporteren noch patenteren. In deze bedrijfstakken verschillen deze ondernemingen in termen van productiviteit op het oog nauwelijks van ondernemingen die dat wel doen. Ook hier geldt niettemin dat voorzichtigheid geboden is, omdat het gaat om visuele associaties waarbij niet gecontroleerd wordt voor mitigerende factoren.
Figuur 4.7 Arbeidsproductiviteit, patent- en exportgedrag in geselecteerde bedrijfstakken (2020)




4.2 Het verband tussen patentering en export
De derde onderzoeksvraag zoals besproken in hoofdstuk 1 gaat over de mate waarin patentering en export samengaan. Figuur 4.3 lichtte in dat kader al een tipje van de sluier op door te illustreren dat ondernemingen die patenteren veel vaker exporteren dan ondernemingen die dat niet doen. Dat is een eerste indicatie dat patentering en export frequent samengaan. In deze paragraaf gaan we hier dieper op in.
In Figuur 4.8 is voor iedere bedrijfstak getoond hoe de export van de gemiddelde onderneming is opgebouwd voor de groep ondernemingen die wel patenteert en voor de groep die dat niet doet. Let wel, deze cijfers zijn niet gebaseerd op de koppeling op productniveau van technologiegebieden van patenten naar exportproducten. We kijken hier enkel of ondernemingen wel of niet een patent hebben aangevraagd in de periode 2013-2020 en vervolgens hoe groot de export is en hoe deze is samengesteld.
| sbi_alt2 | ogpat | Nederlands product (Exportwaarde (x mln euro)) | Wederuitvoer (Exportwaarde (x mln euro)) |
|---|---|---|---|
| Landbouw | Niet-patenterend | 1,14 | 0,26 |
| Landbouw | Patenterend | 0,71 | 0,52 |
| Delfstoffen, water en energie | Niet-patenterend | 1,81 | 0,46 |
| Delfstoffen, water en energie | Patenterend | 0,83 | 0,14 |
| Voedingsmiddelen en tabak | Niet-patenterend | 4,24 | 1,02 |
| Voedingsmiddelen en tabak | Patenterend | 6,38 | 0,77 |
| Textiel en kleding | Niet-patenterend | 0,47 | 0,08 |
| Textiel en kleding | Patenterend | 1,02 | 0,24 |
| Hout en bouwmaterialen | Niet-patenterend | 0,9 | 0,12 |
| Hout en bouwmaterialen | Patenterend | 0,67 | 0,15 |
| Papier en grafisch | Niet-patenterend | 1,53 | 0,26 |
| Papier en grafisch | Patenterend | 4,31 | 0,41 |
| Raffinage en chemie | Niet-patenterend | 2,7 | 0,4 |
| Raffinage en chemie | Patenterend | 3,74 | 1,55 |
| Farmaceutisch | Niet-patenterend | 2,28 | 1,17 |
| Farmaceutisch | Patenterend | 4,78 | 3,46 |
| Metaalindustrie | Niet-patenterend | 0,64 | 0,12 |
| Metaalindustrie | Patenterend | 2,5 | 0,33 |
| Elektrotechnisch en machinebouw | Niet-patenterend | 0,42 | 0,19 |
| Elektrotechnisch en machinebouw | Patenterend | 2,04 | 0,56 |
| Transportmiddelen | Niet-patenterend | 1,28 | 0,54 |
| Transportmiddelen | Patenterend | 2,74 | 1,11 |
| Overige industrie | Niet-patenterend | 0,35 | 0,1 |
| Overige industrie | Patenterend | 0,59 | 0,51 |
| Bouwnijverheid | Niet-patenterend | 0,19 | 0,08 |
| Bouwnijverheid | Patenterend | 0,49 | 0,06 |
| Detailhandel en horeca | Niet-patenterend | 0,29 | 0,28 |
| Detailhandel en horeca | Patenterend | 0,61 | 0,41 |
| Groothandel | Niet-patenterend | 0,39 | 0,52 |
| Groothandel | Patenterend | 0,67 | 0,43 |
| Vervoer en opslag | Niet-patenterend | 0,31 | 0,44 |
| Vervoer en opslag | Patenterend | 0,13 | 2,95 |
| Overige dienstverlening | Niet-patenterend | 0,19 | 0,33 |
| Overige dienstverlening | Patenterend | 0,16 | 0,08 |
Het eerste dat opvalt is dat in de meeste bedrijfstakken, 13 van de 17, de gemiddelde export hoger ligt bij patenterende ondernemingen. Bij de 4 bedrijfstakken waar dat niet het geval is, waaronder de gebundelde sector dienstverlening waarin goederenhandel sowieso beperkt is, is het verschil klein. Alleen in de bedrijfstak delfstoffenwinning, water en energie is het verschil groter, maar dat is gezien de aard van de activiteiten in deze bedrijfstak wellicht niet zo verwonderlijk. De bedrijfstakken die in Figuur 4.5 al opvielen vanwege een relatief groot aandeel gepatenteerde export vallen nu opnieuw op. In deze bedrijfstakken, de farmaceutische industrie, de metaalindustrie en de machinebouw, zien we dat patenterende ondernemingen gemiddeld fors meer exporteren dan ondernemingen die niet patenteren. Alleen in de voedingsmiddelenindustrie is dit verschil minder groot, maar daar zijn de gemiddelde exportwaardes voor beide groepen sowieso aanzienlijk. In de farmaceutische industrie valt daarbij bovendien op dat een fors deel van de export bij patenterende ondernemingen wederuitvoer betreft. In dat kader valt de bedrijfstak vervoer en opslag zeker op. In deze bedrijfstak bestaat het grootste deel van de export, zeker bij patenterende ondernemingen, uit wederuitvoer. Een logische bevinding gegeven de aard van de activiteiten van deze ondernemingen. Bij patenten in deze bedrijfstak moet, ook gezien de samenstelling van de export, wellicht eerder gedacht worden aan de bescherming van procesinnovaties dan aan productinnovaties. Zo worden er in deze bedrijfstak bijvoorbeeld patentaanvragen gedaan die uitvindingen moeten beschermen die gericht zijn op het efficiënter maken van supply chains.
Figuur 4.9 toont dezelfde informatie als Figuur 4.8, maar dan voor de export in een aantal geselecteerde productgroepen in plaats van bedrijfstakken. Iedere onderneming wordt geclassificeerd in slechts één bedrijfstak op basis van hun hoofdactiviteit, terwijl zij uiteraard een hele range aan producten kunnen exporteren die niet per se allemaal relateren aan deze hoofdactiviteit. Zeker grote ondernemingen met een breed palet aan activiteiten kunnen een brede range aan producten exporteren, waardoor een indeling in bedrijfstakken een ander beeld kan geven dan een indeling in productgroepen. Figuur 4.9 accommodeert dit door de export op productniveau te aggregeren naar de derde digit van de SITC-classificatie, de zogeheten groepen. Dit gaat echter om ruim 250 verschillende productgroepen. Daarom lichten we er een aantal opvallende productgroepen uit in Figuur 4.9.
| sitc4_group | ogpat | Nederlands product (Exportwaarde (x mln euro)) | Wederuitvoer (Exportwaarde (x mln euro)) |
|---|---|---|---|
| Geneesmiddelen | Niet-patenterend | 5,12 | 8,79 |
| Geneesmiddelen | Patenterend | 5,57 | 2,55 |
| Gewalste metaalproducten | Niet-patenterend | 0,61 | 0,36 |
| Gewalste metaalproducten | Patenterend | 17,87 | 2,12 |
| Machines voor voedingsindustrie | Niet-patenterend | 0,61 | 0,10 |
| Machines voor voedingsindustrie | Patenterend | 8,10 | 0,59 |
| Overige machines | Niet-patenterend | 0,25 | 0,13 |
| Overige machines | Patenterend | 16,47 | 0,33 |
| Medische apparatuur | Niet-patenterend | 0,59 | 3,14 |
| Medische apparatuur | Patenterend | 1,16 | 1,81 |
Het eerste wat opvalt zijn de productgroepen met betrekking tot machinebouw. Nederland is toonaangevend op het gebied van machines voor de voedselverwerkende industrie. Dat zien we hier duidelijk terug in het feit dat patenterende ondernemingen voor aanzienlijk hogere bedragen goederen exporteren in deze productgroep dan ondernemingen die geen patentaanvragen doen. Daarnaast is er in deze productgroep nauwelijks sprake van wederuitvoer: vrijwel de gehele export bestaat uit producten van Nederlandse makelij. Hetzelfde beeld zien we in de productgroep overige machines, waar onder andere chipmachines onder vallen. Ook de producten van de metaalindustrie, die al opviel in Figuur 4.4 en Figuur 4.5, laten een vergelijkbaar beeld zien: patenterende ondernemingen exporteren metaalproducten voor gemiddeld genomen aanzienlijk hogere bedragen en wederuitvoer is van bescheiden belang.
In andere productgroepen zien we andere patronen. De export van geneesmiddelen en medische apparatuur betreft qua gemiddelde waarde bijvoorbeeld veel meer wederuitvoer. Daarnaast lopen de gemiddelde exportwaardes bij patenterende en niet-patenterende ondernemingen van deze producten van Nederlandse makelij nauwelijks uiteen.
Samenhang tussen patentaanvragen en export in de tijd
Uiteindelijk is de kernvraag die de aanleiding vormt voor dit onderzoek in hoeverre bedrijven extra export genereren van producten die door een patent beschermd zijn. Daarvoor is de koppeling van patenten aan individuele exportproducten via de technologiegebieden waarop patentaanvragen betrekking hebben inherent. Als betoogd in hoofdstuk 1 valt het econometrisch aantonen van het al dan niet bestaan van een dergelijke patentpremie buiten het bestek van voorliggende verkennende studie. Een eerste beeld in beschrijvende zin op basis van de gerealiseerde patent-product-koppeling kan echter wel geschetst worden.
In Figuur 4.10 en 4.11 bekijken we de ontwikkeling in de nominale waarde van de goederenexport in de jaren rond de eerste patentaanvraag van ondernemingen. Deze vergelijken we met de ontwikkeling van de export van producten zonder onderliggend patent van dezelfde ondernemingen en met de export van ondernemingen die helemaal niet patenteren. Het paneel linksboven laat dit zien voor alle bedrijfstakken en de andere drie voor een selectie van bedrijfstakken waarin patentering een relatief grote rol speelt en waar onderliggend een voldoende groot aantal observaties beschikbaar is. Figuur 4.10 kijkt daarbij naar ondernemingen die in 2015 hun eerste patentaanvraag doen en Figuur 4.11 naar ondernemingen die dat in 2016 deden. Door de blik te richten op eerste patentaanvragen in deze vroege jaren hebben we een relatief lange effectperiode ter beschikking om de ontwikkeling van de export te schetsen. Merk overigens op dat 2020 het eerste coronajaar was, wat de afbuigende lijntjes ten opzichte van de voorgaande trend verklaart.
Ontwikkeling van de goederenexport rond een eerste patentaanvraag in 2015
| jaar | Totale export niet-patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) | Patentgerelateerde export patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) | Niet-gepatenteerde export patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) |
|---|---|---|---|
| 2012 | |||
| 2013 | 93 | 70 | 48 |
| 2014 | 91 | 70 | 44 |
| 2015 | 100 | 100 | 100 |
| 2016 | 104 | 105 | 100 |
| 2017 | 110 | 115 | 94 |
| 2018 | 121 | 106 | 104 |
| 2019 | 123 | 128 | 93 |
| 2020 | 112 | 128 | 79 |
| jaar | Totale export niet-patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) | Patentgerelateerde export patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) | Niet-gepatenteerde export patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) |
|---|---|---|---|
| 2012 | |||
| 2013 | 93 | 96 | 64 |
| 2014 | 92 | 98 | 60 |
| 2015 | 100 | 100 | 100 |
| 2016 | 130 | 118 | 129 |
| 2017 | 111 | 156 | 168 |
| 2018 | 114 | 171 | 190 |
| 2019 | 108 | 178 | 192 |
| 2020 | 95 | 178 | 166 |
| jaar | Totale export niet-patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) | Patentgerelateerde export patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) | Niet-gepatenteerde export patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) |
|---|---|---|---|
| 2012 | |||
| 2013 | 103 | 74 | 75 |
| 2014 | 112 | 64 | 69 |
| 2015 | 100 | 100 | 100 |
| 2016 | 100 | 132 | 138 |
| 2017 | 100 | 287 | 131 |
| 2018 | 108 | 273 | 154 |
| 2019 | 120 | 369 | 146 |
| 2020 | 115 | 422 | 163 |
| jaar | Totale export niet-patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) | Patentgerelateerde export patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) | Niet-gepatenteerde export patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) |
|---|---|---|---|
| 2012 | |||
| 2013 | 81 | 75 | 46 |
| 2014 | 90 | 85 | 63 |
| 2015 | 100 | 100 | 100 |
| 2016 | 91 | 53 | 111 |
| 2017 | 115 | 108 | 138 |
| 2018 | 130 | 242 | 113 |
| 2019 | 149 | 224 | 158 |
| 2020 | 146 | 167 | 101 |
Er ontstaat in beide figuren geen duidelijk beeld van het bestaan van een patentpremie, dat wil zeggen, een snellere groei van de export van producten met een onderliggend patent. In de twee panelen linksboven in Figuur 4.10 en 4.11 zien we dat de groei van gepatenteerde export vanaf het moment van patentering overwegend groter is dan van de andere exportstromen, maar de verschillen zijn bescheiden. In de metaalindustrie (het paneel rechtsboven) is er nauwelijks verschil zichtbaar tussen de groeipaden van de verschillende exportstromen van patenterende ondernemingen. Het lijkt er wel op dat met name in de periode na een patentaanvraag de export van patenterende ondernemingen, ongeacht of die export patentgerelateerd is, wat harder groeit dan de export bij niet-patenterende ondernemingen. Maar we zien zeker niet overtuigend dat gepatenteerde export harder groeit dan niet-gepatenteerde export.
In de machine-industrie zien we dat wel: daar ligt vanaf het moment van patentering de groei van de export beduidend boven de andere groeipaden, zowel bij een eerste patentaanvraag in 2015 als in 2016. Daarnaast lijkt het erop dat de niet-gepatenteerde export van patenterende ondernemingen over het algemeen minder hard groeit dan de gepatenteerde export van deze ondernemingen. Dat zou niet onlogisch zijn, omdat de focus van deze ondernemingen dan logischerwijs ligt op het vermarkten van recent gepatenteerde producten.
In de groothandel zien we een wisselend beeld. Voor eerste patentaanvragers in 2015 zien we dat de gepatenteerde export vanaf het twee jaar na de eerste patentaanvraag harder groeit dan de andere exportstromen. Maar vervolgens zien we de groeicurves van de export na 2018 flink afbuigen bij patenterende bedrijven, terwijl de export bij niet patenterende bedrijven op niveau blijft. Voor de groep groothandelaren die in 2016 voor het eerst een patentaanvraag doet zien we een heel ander beeld. Daar zijn de groeicurves nauwelijks van elkaar te onderscheiden, maar ligt de groei van de export van niet-patenterende ondernemingen tot 2020 wel voortdurend iets hoger dan die bij patenterende exporteurs.
Al met al zien ze we zeker geen overtuigend bewijs voor het bestaan van een patentpremie in deze figuren. Hooguit in specifieke bedrijfstakken is er aanleiding verder onderzoek te doen om te zien of een patentpremie econometrisch ook materialiseert. Niettemin is ook hier een waarschuwend woord op zijn plaats. Ook al laten de figuren een weinig eenduidig beeld zien, toch dienen de in Figuur 4.10 en 4.11 getoonde groeipaden met voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden. In geen geval kunnen de bevindingen geïnterpreteerd worden als bewijs voor het bestaan of het ontbreken van een causale relatie tussen patentering en export. Daarvoor zijn geavanceerde econometrische analyses noodzakelijk, waarin bijvoorbeeld ook rekening wordt gehouden met compositie-effecten van de verschillende deelpopulaties van ondernemingen onderliggend aan de getoonde groeicurves en de karakteristieken van ondernemingen.
Ontwikkeling van de goederenexport rond een eerste patentaanvraag in 2016
| jaar | Totale export niet-patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) | Patentgerelateerde export patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) | Niet-gepatenteerde export patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) |
|---|---|---|---|
| 2012 | |||
| 2013 | 90 | 106 | 76 |
| 2014 | 87 | 120 | 79 |
| 2015 | 96 | 117 | 96 |
| 2016 | 100 | 100 | 100 |
| 2017 | 105 | 122 | 106 |
| 2018 | 116 | 136 | 122 |
| 2019 | 118 | 137 | 116 |
| 2020 | 108 | 126 | 112 |
| jaar | Totale export niet-patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) | Patentgerelateerde export patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) | Niet-gepatenteerde export patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) |
|---|---|---|---|
| 2012 | |||
| 2013 | 72 | 118 | 117 |
| 2014 | 71 | 131 | 115 |
| 2015 | 77 | 115 | 105 |
| 2016 | 100 | 100 | 100 |
| 2017 | 85 | 122 | 125 |
| 2018 | 88 | 136 | 99 |
| 2019 | 83 | 126 | 167 |
| 2020 | 73 | 111 | 113 |
| jaar | Totale export niet-patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) | Patentgerelateerde export patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) | Niet-gepatenteerde export patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) |
|---|---|---|---|
| 2012 | |||
| 2013 | 103 | 70 | 75 |
| 2014 | 112 | 82 | 81 |
| 2015 | 100 | 105 | 90 |
| 2016 | 100 | 100 | 100 |
| 2017 | 100 | 138 | 106 |
| 2018 | 108 | 161 | 149 |
| 2019 | 120 | 188 | 128 |
| 2020 | 115 | 170 | 128 |
| jaar | Totale export niet-patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) | Patentgerelateerde export patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) | Niet-gepatenteerde export patenterende ondernemingen (Indexcijfer 2015=100) |
|---|---|---|---|
| 2012 | |||
| 2013 | 89 | 105 | 99 |
| 2014 | 100 | 121 | 111 |
| 2015 | 110 | 106 | 98 |
| 2016 | 100 | 100 | 100 |
| 2017 | 126 | 111 | 124 |
| 2018 | 144 | 125 | 132 |
| 2019 | 164 | 127 | 126 |
| 2020 | 161 | 140 | 168 |
5) Voor de verbijzondering naar bedrijfstak is gebruikt gemaakt van een aggregatie van 2-digit bedrijfstakken naar een aggregatieniveau dat gelegen is tussen 1-digit secties en 2-digit bedrijfstakken. Op deze wijze blijft er voldoende detail beschikbaar, bijvoorbeeld binnen de sectie industrie, voor zinvolle analyses.
6) Figuur 4.3 en Figuur 4.4 zijn zogeheten boxplots. Deze figuren geven een beeld van de verdeling van een variabele, in dit geval productiviteit, en verschillen in die verdeling tussen groepen. De verticale witte streep in het gekleurde vierkant toont de mediane waarde van de productiviteit binnen die groep. De uiteindes van de gekleurde vierkanten tonen het 25ste en het 75ste percentiel van de productiviteitsverdeling. De gekleurde verticale strepen die het eind van de horizontale lijnen illustreren hoe groot de spreiding van productiviteit binnen de getoonde groep is. Deze waardes zijn het 25ste percentiel minus anderhalf keer de interkwartielrange resp. het 75ste percentiel plus anderhalf keer de interkwartielrange. De interkwartielrangen is het verschil tussen het 25ste en het 75ste percentiel.
7) In Figuur 4.3 zijn ook de microbedrijven, bedrijven met 0-1 werkzame persoon, meegenomen. Als deze groep buiten beschouwing wordt gelaten zien we alleen binnen het zmkb bij de groep ondernemingen die patenteert noch exporteert het beeld wijzigen. Dan is met name de spreiding in de productiviteit aanmerkelijk kleiner, zowel aan de bovenkant als aan de onderkant van de productiviteitsverdeling. De mediane productiviteit verschuift niet noemenswaardig.