Vraag en antwoord

Veelgestelde vragen

Verreweg de meeste flexwerkers vinden werkzekerheid belangrijk of heel belangrijk. Dat geldt voor zowel werknemers met een flexibele arbeidsrelatie als voor zelfstandig ondernemers zonder personeel. Zij vinden het wel iets minder belangrijk dan respectievelijk werknemers met een vaste arbeidsrelatie en zelfstandig ondernemers met personeel. Flexwerkers zijn merendeels ook tevreden over hun werkzekerheid, maar minder dan vaste werknemers en ondernemers met personeel.

Voor flexibele werknemers kan de werkzekerheid ook worden afgemeten aan de kans op werkloosheid en de doorstroom naar een vaste baan. Werknemers met een flexibele arbeidsrelatie worden vaker werkloos dan vaste werknemers. In 2016 waren er 93 duizend werklozen die een jaar eerder nog een baan als flexwerker hadden. Dat komt overeen met 4,6 procent van de flexwerkers. Zowel in aantal als in percentage lag dat bij vaste werknemers lager: 63 duizend en 1,3 procent. Gedurende de economische crisis verdubbelde het percentage flexibele én vaste werknemers die werkloos werden, maar de laatste paar jaar is de kans op werkloosheid bij beide groepen weer wat afgenomen.

...

Regionale cijfers over flexwerkers zijn uitsluitend beschikbaar met betrekking tot zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). Het CBS publiceert weliswaar standcijfers over het aantal werkenden naar regio (gemeente), maar daarin wordt geen onderverdeling gemaakt naar de aard van de arbeidsrelatie van werknemers. Dergelijke gegevens kunnen op verzoek als maatwerk worden samengesteld. Er zijn wel gegevens over regionale verschillen in de aantallen personen die als flexwerknemer aan de slag gaan, de zogenoemde instroom in de flexibele schil.

...

Flexwerk komt in alle bedrijfstakken van de Nederlandse arbeidsmarkt voor en nam de afgelopen jaren ook overal toe. In sommige bedrijfstakken komt flexwerk echter meer voor dan in andere en in sommige zijn er al meer flexwerkers werkzaam dan vaste werknemers. In de cultuur- en recreatiesector, de landbouw en de horeca is nu 60 procent van de werkenden flexwerker. In de sector cultuur en recreatie en de landbouw gaat het iets vaker om zzp’ers dan om flexibele werknemers. In de horeca daarentegen gaat het vooral om flexibele werknemers. Een sector waar flexwerk nog weinig voorkomt is het openbaar bestuur; daar is nu 11 procent van de werkenden flexwerker.

...

In 2016 gaf ruim een op de drie werknemers met een flexibele arbeidsrelatie aan behoefte te hebben aan flexibiliteit of geen behoefte te hebben aan zekerheid. De meesten hebben echter een flexibele arbeidsrelatie uit noodzaak: ze zijn nieuw bij hun huidige werkgever (40 procent) of het lukte hun niet om een vaste baan te bemachtigen (26 procent). Het laatste is voor relatief veel uitzendkrachten de belangrijkste reden om flexibel te werken. Flexwerken uit behoefte komt vooral voor onder oproep- en invalkrachten.

...

Het antwoord op deze vraag hangt af van de manier waarop flexwerkers worden afgebakend. Bij flexwerkers gaat het om twee groepen: werknemers met een flexibele arbeidsrelatie en zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). Hier is uitgegaan van werkenden van 15 tot 75 jaar, ongeacht het aantal uren dat zij werken. En als een persoon meer dan één baan of werkkring heeft, wordt uitgegaan van de baan of werkkring waaraan de meeste tijd wordt besteed.

In 2016 waren er ruim 1,8 miljoen werknemers met een flexibele arbeidsrelatie. Zij hebben een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd óf een flexibel aantal uren per week. Steeds meer werknemers hebben zo’n overeenkomst. Hun aantal is in de periode 2003-2016 met bijna 750 duizend toegenomen.

...

Flexwerkers zijn, net als werknemers met een vaste arbeidsrelatie, iets vaker man dan vrouw. In vergelijking met vaste werknemers zijn ze jonger en lager opgeleid. Binnen de groep flexwerkers zijn echter grote verschillen tussen de zzp’er en de werknemer. Zo zijn werknemers met een flexibele arbeidsrelatie iets vaker vrouw (51 procent), terwijl zzp’ers beduidend vaker man zijn (61 procent).

Het zijn hoofdzakelijk de flexwerknemers die jong zijn (45 procent is tussen de 15 en 25 jaar); zzp’ers behoren juist vaker tot de oudere leeftijdsgroepen (58 procent is ouder dan 45 jaar). Het onderwijsniveau van de flexwerknemer is gemiddeld vaker middelbaar of laag (respectievelijk 42 en 32 procent). Dit hangt echter ook samen met het gegeven dat het hier vaak om jongeren gaat die nog onderwijs volgen. Ruim drie kwart van de flexwerknemers tussen de 15 en 25 jaar volgt onderwijs. De zzp’er is vaker hoogopgeleid (41 procent).

...

Flexwerkers verdienen gemiddeld minder dan vaste werknemers. Het primair jaarinkomen uit werk van een werknemer met een vaste arbeidsrelatie bedroeg in 2015 gemiddeld 51 duizend euro. Voor werknemers met een flexibele arbeidsrelatie lag dit op 20 duizend euro. Daarbinnen lopen de gemiddelde inkomens voor de verschillende typen flexwerknemers sterk uiteen, van 36 duizend euro voor tijdelijke werknemers met uitzicht op vast tot 9 duizend euro voor oproepkrachten.

Voor zzp’ers (in de hoofdbaan) bedroeg het gemiddeld primair jaarinkomen 28 duizend euro. Voor zzp’ers zijn tevens gegevens beschikbaar op basis van enkel het voornaamste inkomen als zzp’er. Op basis hiervan komt het primair jaarinkomen van zzp’ers wat hoger uit, namelijk 35 duizend euro. De hoogte van het jaarinkomen hangt met veel andere factoren samen. Zo is de arbeidsduur van belang. Voor flexibele werknemers die voltijd werken, bedroeg het primair jaarinkomen 38 duizend euro, voor voltijd-zzp’ers 37 duizend euro en voor vaste werknemers die voltijds werken 66 duizend euro. Daarnaast spelen ook vele andere factoren mee, zoals het type werk dat men doet, hoe lang men het werk al doet, en persoonskenmerken, zoals het behaalde onderwijsniveau.

...

Werknemers met een flexibele arbeidsrelatie volgen minder vaak kortdurende scholing in de vorm van cursussen dan vaste werknemers. In 2011 had 34 procent van alle werknemers met een flexibele arbeidsrelatie in het voorafgaande jaar een cursus gevolgd die te maken had met het werk. Van de werknemers met een vaste arbeidsrelatie was dat bijna 46 procent. In vrijwel alle gevallen werden deze cursussen (deels) door de werkgever betaald.

Het gaat hierbij om werknemers van 25 tot 65 jaar, die ten minste twaalf uur per week werken. Onder cursus wordt hier verstaan een geplande periode van training of instructie gedurende minder dan zes maanden met als doel kennis en/of vaardigheden op te doen. Voorbeelden zijn een reeks lessen voor een groep deelnemers, schriftelijke opleidingen, afstandsonderwijs, privélessen, seminars en workshops. Actuelere cijfers over werkgerelateerde scholing in de vorm van cursussen komen naar verwachting eind 2017 beschikbaar.

...

Bijna 600 duizend mensen hadden in 2016 een tweede baan naast hun hoofdbaan. Dat is 7 procent van alle werkenden. Voor flexwerkers ligt dit percentage hoger, namelijk op bijna 10 procent. Het zijn vooral de flexibele werknemers die relatief vaak een tweede baan ernaast hebben. Bij zzp’ers ligt dit percentage op 6 procent. Ook bij vaste werknemers ligt dit op 6 procent. De tweede baan die men heeft, is vaker flexibel dan vast. Voor ruim 60 procent van de flexwerknemers met een tweede baan is deze tweede baan ook een flexwerknemersbaan, 15 procent betrof een vaste werknemersbaan en 22 procent een zzp-baan. De combinatie van werknemer en zzp is de laatste jaren in opkomst, met name het zzp-schap als bijbaan. Bij de vaste werknemers met een bijbaan, was 40 procent een tweede baan als zzp’er. 

...

Gegevens hierover zijn niet beschikbaar. Het CBS brengt de mogelijkheden in kaart om deze vraag te kunnen beantwoorden.
Gegevens hierover zijn niet beschikbaar. Het CBS brengt de mogelijkheden in kaart om deze vraag te kunnen beantwoorden.