Vraag en antwoord

Veelgestelde vragen

Verreweg de meeste flexwerkers vinden werkzekerheid belangrijk of heel belangrijk. Dat geldt voor zowel werknemers met een flexibele arbeidsrelatie als voor zelfstandig ondernemers zonder personeel. Zij vinden het wel iets minder belangrijk dan respectievelijk werknemers met een vaste arbeidsrelatie en zelfstandig ondernemers met personeel. Flexwerkers zijn merendeels ook tevreden over hun werkzekerheid, maar minder dan vaste werknemers en ondernemers met personeel.

Voor flexibele werknemers kan de werkzekerheid ook worden afgemeten aan de kans op werkloosheid en de doorstroom naar een vaste baan. Werknemers met een flexibele arbeidsrelatie worden vaker werkloos dan vaste werknemers. In 2018 waren er 63 duizend werklozen die een jaar eerder nog een baan als flexwerker hadden. Dat komt overeen met 2,9 procent van de flexwerkers. Zowel in aantal als in percentage lag dat bij vaste werknemers lager: 38 duizend en 0,7 procent. Gedurende de economische crisis verdubbelde het percentage flexibele én vaste werknemers die werkloos werden, maar de laatste paar jaar is de kans op werkloosheid bij beide groepen weer afgenomen.

De doorstroom van flexibele werknemers naar een vaste baan nam af aan het begin van de economische crisis. Deze ontwikkeling heeft zich in recenter jaren niet verder voortgezet. Van de werknemers die in 2007 instroomden in de zogenoemde flexibele schil en die geen onderwijs volgden, stroomde 35 procent in de drie jaar daarna door naar een vaste baan. Van de instromers in 2011 en 2012 was dat bijna 26 procent. Tot de flexibele schil behoren werknemers die in een flexibele baan zitten én werknemers die tussen twee flexibele banen in maximaal drie maanden zonder werk zitten.

...

In 2018 gaf 38 procent van de werknemers met een flexibele arbeidsrelatie aan behoefte te hebben aan flexibiliteit of geen behoefte te hebben aan zekerheid. De meesten hebben echter een flexibele arbeidsrelatie uit noodzaak: ze zijn nieuw bij hun huidige werkgever (44 procent) of het lukte hun niet om een vaste baan te bemachtigen (19 procent). Het laatste is voor relatief veel uitzendkrachten de belangrijkste reden om flexibel te werken. Flexwerken uit behoefte komt vooral voor onder oproep- en invalkrachten.

...

Regionale cijfers over flexwerkers zijn uitsluitend beschikbaar met betrekking tot zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). Het CBS publiceert weliswaar standcijfers over het aantal werkenden naar regio (gemeente), maar daarin wordt geen onderverdeling gemaakt naar de aard van de arbeidsrelatie van werknemers. Dergelijke gegevens kunnen op verzoek als maatwerk worden samengesteld. Er zijn wel gegevens over regionale verschillen in de aantallen personen die als flexwerknemer aan de slag gaan, de zogenoemde instroom in de flexibele schil.

...

In 2018 hadden 610 duizend mensen een tweede baan naast hun hoofdbaan. Dat is 7 procent van alle werkenden. Voor flexwerkers ligt dit percentage hoger, namelijk op 9,5 procent. Het zijn vooral de flexibele werknemers die relatief vaak een tweede baan hebben (ruim 11 procent). Bij zzp’ers ligt dit percentage op 6,6 procent. Bij vaste werknemers ligt dit op 6,3 procent.

De tweede baan die men heeft, is vaker flexibel dan vast. Voor ruim 60 procent van de flexwerknemers met een tweede baan is deze tweede baan ook een flexwerknemersbaan, bij 15 procent betrof het een vaste werknemersbaan en bij 24 procent een zzp-baan. De combinatie van een baan als werknemer en een baan als zzp’er is de laatste jaren in opkomst, met name het zzp-schap als bijbaan. Van de vaste werknemers met een bijbaan had ruim 40 procent een tweede baan als zzp’er.

...

Flexwerkers verdienen gemiddeld minder dan vaste werknemers. Het persoonlijk primair jaarinkomen van een werknemer met een vaste arbeidsrelatie bedroeg in 2017 gemiddeld 52 duizend euro. Voor werknemers met een flexibele arbeidsrelatie lag dit op 21 duizend euro. Daarbinnen lopen de gemiddelde inkomens voor de verschillende typen flexwerknemers sterk uiteen, van 37 duizend euro voor tijdelijke werknemers met uitzicht op vast tot 9 duizend euro voor oproepkrachten. Voor zzp’ers (in de hoofdbaan) bedroeg het gemiddeld persoonlijk primair jaarinkomen 33 duizend euro.

...

Bij flexwerkers zijn de verhoudingen tussen werknemers naar geslacht, leeftijd en onderwijsniveau verschillend dan bij werknemers met een vaste arbeidsrelatie. Binnen de groep flexwerkers zijn deze verschillen nog een stuk groter tussen flexwerknemers en zzp’ers. Zo zijn werknemers met een flexibele arbeidsrelatie iets vaker vrouw (52 procent) dan vaste werknemers (47 procent), maar beduidend vaker dan zzp’ers (39 procent).

Flexwerknemers zijn daarnaast relatief jong: in 2018 was 45 procent tussen de 15 tot 25 jaar. Zzp’ers behoren juist vaker tot de oudere leeftijdsgroepen. Van hen zijn bijna 6 op de 10 45-plusser. Het onderwijsniveau van flexwerknemers is in veel gevallen middelbaar of laag (respectievelijk 42 en 32 procent). Hierbij speelt mee dat een groot deel nog onderwijs volgt en bezig is een diploma te behalen. Bijna 8 van de 10 flexwerknemers van 15 tot 25 jaar volgen onderwijs. Zzp’ers zijn daarentegen vaker hoogopgeleid (44 procent).

...

Het antwoord op deze vraag hangt af van de manier waarop flexwerkers worden afgebakend. Bij flexwerkers gaat het om twee groepen: werknemers met een flexibele arbeidsrelatie en zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). Hier is uitgegaan van werkenden van 15 tot 75 jaar, ongeacht het aantal uren dat zij werken. En als een persoon meer dan één baan of werkkring heeft, wordt uitgegaan van de baan of werkkring waaraan de meeste tijd wordt besteed.

In 2018 waren er bijna 2 miljoen werknemers met een flexibele arbeidsrelatie. Zij hebben een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd óf een flexibel aantal uren per week. Steeds meer werknemers hebben zo’n overeenkomst. Hun aantal is in de periode 2003-2018 met 878 duizend toegenomen.

...

Flexwerk komt in alle bedrijfstakken van de Nederlandse arbeidsmarkt voor en is de afgelopen jaren ook overal toegenomen. In sommige bedrijfstakken komt flexwerk echter meer voor dan in andere. Ook zijn er bedrijfstakken waar flexwerkers de meerderheid van de werkenden vormen. Bijvoorbeeld in de bedrijfstakken cultuur en recreatie, de horeca en de landbouw en visserij, waar ongeveer 60 procent van de werkenden flexwerker is.

In de bedrijfstak cultuur en recreatie en de landbouw gaat het vaker om zzp’ers dan om flexibele werknemers. In de horeca gaat het vooral om flexibele werknemers. Een sector waar flexwerk weinig voorkomt is het openbaar bestuur; in 2017 was 12 procent van de werkenden daar flexwerker.

...

Werknemers met een flexibele arbeidsrelatie volgen minder vaak kortdurende scholing in de vorm van cursussen dan vaste werknemers. In 2016 had 47 procent van alle werknemers met een flexibele arbeidsrelatie in het voorafgaande jaar een cursus gevolgd die te maken had met het werk. Van de werknemers met een vaste arbeidsrelatie was dat 55 procent. In de meeste gevallen werden deze cursussen (deels) door de werkgever betaald, maar bij vaste werknemers gebeurde dat wel vaker dan bij flexibele werknemers.

...

Gegevens hierover zijn niet beschikbaar. Het CBS brengt de mogelijkheden in kaart om deze vraag te kunnen beantwoorden.
Gegevens hierover zijn niet beschikbaar. Het CBS brengt de mogelijkheden in kaart om deze vraag te kunnen beantwoorden.