Onderwijs; uitgaven aan onderwijs en CBS/OESO indicatoren

Onderwijs; uitgaven aan onderwijs en CBS/OESO indicatoren

Onderwijssectoren Perioden Uitgaven aan onderwijs Totaal uitgaven aan onderwijs (mln euro) Uitgaven aan onderwijs Overheid Uitgaven aan onderwijsinstellingen Totaal aan onderwijsinstellingen (mln euro) Uitgaven aan onderwijs Overheid Uitgaven aan onderwijsinstellingen Lumpsum financiering (mln euro) Uitgaven aan onderwijs Overheid Uitgaven aan onderwijsinstellingen Contractonderzoek (mln euro) Uitgaven aan onderwijs Overheid Uitgaven aan onderwijsinstellingen Apparaatskosten (mln euro) Uitgaven aan onderwijs Overheid Subsidie- en fiscale regelingen Onderwijsvoorzieningen jonggehandicapten (mln euro) Uitgaven aan onderwijs Huishoudens Uitgaven aan onderwijsinstellingen Totaal aan onderwijsinstellingen (mln euro) Uitgaven aan onderwijs Huishoudens Uitgaven aan onderwijsinstellingen Les- en collegegeld bekostigd onderwijs (mln euro) Uitgaven aan onderwijs Huishoudens Uitgaven aan onderwijsinstellingen Les- en collegegeld particul. onderwijs (mln euro) Uitgaven aan onderwijs Huishoudens Uitgaven aan onderwijsinstellingen Ouderbijdragen en schoolactiviteiten (mln euro) Uitgaven aan onderwijs Huishoudens Ontvangen bijdragen Onderwijsvoorzieningen jonggehandicapten (mln euro)
Totaal onderwijs 2020* 49.602 37.225 35.632 895 698 21 3.355 1.916 871 568 21
(Pre)primair onderwijs 2020* 13.364 12.455 12.176 279 8 176 79 97 8
Preprimair onderwijs en basisonderwijs 2020* 11.863 10.976 10.716 260 7 169 79 90 7
Speciaal (basis)onderwijs 2020* 1.501 1.479 1.460 19 1 7 7 1
Secundair onderwijs 2020* 20.385 15.086 14.810 276 8 1.028 253 304 471 8
Voortgezet onderwijs 2020* 11.941 10.700 10.506 195 6 520 0 174 346 6
Tertiair onderwijs 2020* 15.853 9.684 8.646 895 143 5 2.151 1.663 488 5
Hoger beroepsonderwijs 2020* 6.756 3.618 3.494 41 83 3 1.073 880 193 3
Wetenschappelijk onderwijs 2020* 9.097 6.066 5.152 854 60 2 1.078 783 295 2
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting


Deze tabel geeft een overzicht van de uitgaven aan regulier onderwijs in Nederland.

De overheid financiert de onderwijsinstellingen en betaalt voor onderzoek dat ze laat uitvoeren door universiteiten. De overheid geeft studiefinanciering, tegemoetkoming in de schoolkosten, een vergoeding voor onderwijsvoorzieningen voor jonggehandicapten en kinderopvangtoeslag aan huishoudens (studenten en/of ouders) en verstrekt subsidies aan bedrijven en non-profit instellingen. Daarnaast ontvangt de overheid middelen voor onderwijs vanuit de Europese Unie, tegemoetkoming in de schoolkosten en rente en aflossingen op studieleningen en vordert de overheid teveel uitgekeerde studiefinanciering terug.

Huishoudens betalen les- en collegegeld, ouderbijdragen en bijdragen voor schoolactiviteiten aan onderwijsinstellingen. Daarnaast moeten huishoudens boeken en materialen aanschaffen en hebben ze kosten voor het gebruik van openbaar vervoer tussen huis en school (voor zover dit niet door de overheid gesubsidieerd wordt). Bovendien kunnen huishoudens uitgaven hebben voor huiswerkbegeleiding en bijles. Ook moeten rente en aflossingen op studieleningen en teveel ontvangen studiefinanciering en tegemoetkoming in de schoolkosten aan de overheid terugbetaald worden. Huishoudens ontvangen kinderopvangtoeslag, een vergoeding voor onderwijsvoorzieningen voor jonggehandicapten, tegemoetkoming in de schoolkosten, studiefinanciering en studiebeurzen die door bedrijven beschikbaar worden gesteld.

Bedrijven en non-profit instellingen maken kosten voor de begeleiding van stagiairs en leerlingen die leren en werken combineren, dragen bij aan de kosten van werkgerelateerde opleidingen van werknemers en geven geld uit aan onderzoek dat ze door hogescholen en universiteiten laten uitvoeren. Daarnaast dragen bedrijven bij aan de kinderopvangtoeslag en geven ze studiebeurzen aan studenten in het hoger onderwijs. Bedrijven ontvangen subsidies en fiscale regelingen van de overheid om ze te stimuleren leerplekken en stageplaatsen beschikbaar te stellen en voor het verzorgen van het leerlingenvervoer.

Organisaties in het buitenland betalen onderwijsinstellingen voor het uitvoeren van onderzoek. De Europese Unie verstrekt middelen en subsidies voor onderwijs aan onderwijsinstellingen en de Nederlandse overheid. Buitenlandse overheden geven bijdragen aan internationale scholen in Nederland die onder hun nationaliteit opereren.

De statistiek Onderwijsuitgaven wordt samengesteld op kasbasis. Dit wil zeggen dat de onderwijsuitgaven en -ontvangsten worden toegekend aan het jaar waarin ze daadwerkelijk worden uitgegeven of ontvangen. De activiteit of transactie die bij de uitgave of ontvangst hoort kan echter in een ander jaar plaatsvinden.

De tabel bevat ook verschillende indicatoren die (inter)nationaal worden gebruikt om de uitgaven aan onderwijs te vergelijken en in een bredere context te plaatsen. De indicatoren zijn samengesteld op basis van bepalingen van het CBS en/of de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling). Alle gepresenteerde cijfers zijn berekend volgens de gestandaardiseerde definities van de OESO.

Het CBS heeft in juni 2018 de gereviseerde Nationale Rekeningen gepubliceerd. Onder andere het bbp en de totale overheidsuitgaven zijn door de revisie naar boven bijgesteld.

Gegevens beschikbaar vanaf: 1995

Status van de cijfers:
De cijfers in deze tabel van 1995 tot en met 2019 zijn definitief, de uitkomsten voor 2020 zijn voorlopig.

Wijzigingen per 28 december 2021:
De voorlopige cijfers voor 2020 zijn opgenomen.
De cijfers voor 2019 zijn nu definitief.

Wanneer komen er nieuwe cijfers?
De nieuwe cijfers over een bepaald jaar worden in december van het daaropvolgende jaar geplaatst. Deze jaarcijfers zijn voorlopig omdat sommige gegevensbronnen nog niet (volledig) beschikbaar zijn. De voorlopige cijfers worden aangepast na het beschikbaar komen van nieuwe of geactualiseerde bronnen. De definitieve cijfers worden exact een jaar na de voorlopige cijfers geplaatst.

Toelichting onderwerpen

Uitgaven aan onderwijs
De uitgaven van de overheid, huishoudens, bedrijven, non-profit instellingen en organisaties in het buitenland aan onderwijsinstellingen en onderwijs en de overheidsuitgaven m.b.t. onderwijs aan huishoudens en bedrijven.
Van deze uitgaven worden de ontvangsten afgetrokken. Voor de overheid de middelen voor onderwijs vanuit de Europese Unie, de rente op studieleningen en de terugontvangen studiefinanciering en tegemoetkoming in de schoolkosten die teveel of ten onrechte werd uitgekeerd. Voor huishoudens de kinderopvangtoeslag, de tegemoetkoming in de schoolkosten, de studiefinanciering die bedoeld is als tegemoetkoming in de uitgaven aan les- en collegegeld, boeken en leermiddelen en openbaar vervoer, studiebeurzen van bedrijven en de vergoeding voor onderwijsvoorzieningen voor jonggehandicapten. Voor bedrijven wordt de tegemoetkoming in de begeleidingskosten van duale leerlingen en stagiairs van de uitgaven afgetrokken. Behalve voor de rente, wordt dit gedaan om dubbeltelling te voorkomen (deze ontvangsten worden namelijk gebruikt voor de dekking van (een deel van) de uitgaven).
Een aantal uitgaven en ontvangsten wordt niet meegenomen in de berekening van de totale uitgaven aan onderwijs. Voor de overheid zijn dit de verstrekte studieleningen en ontvangen aflossingen op studieleningen, voor huishoudens de tegemoetkoming in levensonderhoud, de ontvangen studieleningen en de aflossingen hierop en voor bedrijven de subsidie voor het verzorgen van leerlingenvervoer. Studieleningen en aflossingen op studieleningen worden buiten beschouwing gelaten, omdat leningen niet als echte uitgaven gezien worden; ze worden namelijk na een bepaalde periode terugbetaald.
De tegemoetkoming in het levensonderhoud heeft een algemeen doel zonder raakvlak met onderwijs en de subsidie voor leerlingenvervoer wordt verstrekt aan bedrijven buiten de onderwijssector, die uit commercieel belang vervoer leveren: om deze redenen worden ze niet meegerekend als ontvangst voor onderwijs.
Totaal uitgaven aan onderwijs
De uitgaven van de overheid, huishoudens, bedrijven, non-profit instellingen en organisaties in het buitenland aan onderwijsinstellingen en onderwijs en de overheidsuitgaven m.b.t. onderwijs aan huishoudens en bedrijven.
Van deze uitgaven worden de ontvangsten afgetrokken. Voor de overheid de middelen voor onderwijs vanuit de Europese Unie, de rente op studieleningen en de terugontvangen studiefinanciering en tegemoetkoming in de schoolkosten die teveel of ten onrechte werd uitgekeerd. Voor huishoudens de kinderopvangtoeslag, de tegemoetkoming in de schoolkosten, de studiefinanciering die bedoeld is als tegemoetkoming in de uitgaven aan les- en collegegeld, boeken en leermiddelen en openbaar vervoer, studiebeurzen van bedrijven en de vergoeding voor onderwijsvoorzieningen voor jonggehandicapten. Voor bedrijven wordt de tegemoetkoming in de begeleidingskosten van duale leerlingen en stagiairs van de uitgaven afgetrokken. Behalve voor de rente, wordt dit gedaan om dubbeltelling te voorkomen (deze ontvangsten worden namelijk gebruikt voor de dekking van (een deel van) de uitgaven).
Een aantal uitgaven en ontvangsten wordt niet meegenomen in de berekening van de totale uitgaven aan onderwijs. Voor de overheid zijn dit de verstrekte studieleningen en ontvangen aflossingen op studieleningen, voor huishoudens de tegemoetkoming in levensonderhoud, de ontvangen studieleningen en de aflossingen hierop en voor bedrijven de subsidie voor het verzorgen van leerlingenvervoer. Studieleningen en aflossingen op studieleningen worden buiten beschouwing gelaten, omdat leningen niet als echte uitgaven gezien worden; ze worden namelijk na een bepaalde periode terugbetaald.
De tegemoetkoming in het levensonderhoud heeft een algemeen doel zonder raakvlak met onderwijs en de subsidie voor leerlingenvervoer wordt verstrekt aan bedrijven buiten de onderwijssector, die uit commercieel belang vervoer leveren: om deze redenen worden ze niet meegerekend als ontvangst voor onderwijs.
Overheid
De uitgaven van de overheid bestaan uit de uitgaven van de rijksoverheid, provincies en gemeenten aan onderwijsinstellingen en onderwijs. Van de uitgaven worden de middelen voor onderwijs vanuit de Europese Unie, de rente op studieleningen en de terugontvangen studiefinanciering en tegemoetkoming in de schoolkosten die teveel of ten onrechte werd uitgekeerd afgetrokken. De verstrekte studieleningen en ontvangen aflossingen op studieleningen worden buiten beschouwing gelaten bij de bepaling van de totale uitgaven aan onderwijs.
Uitgaven aan onderwijsinstellingen
De uitgaven van de rijksoverheid, provincies en gemeenten aan onderwijsinstellingen. Het betreft de lumpsum financiering, apparaatskosten en uitgaven voor contractonderzoek.
Totaal aan onderwijsinstellingen
De uitgaven van de rijksoverheid, provincies en gemeenten aan onderwijsinstellingen. Het betreft de lumpsum financiering, apparaatskosten en uitgaven voor contractonderzoek.
Lumpsum financiering
De financiering van de onderwijsinstellingen voor het leveren van onderwijs en aanvullende niet-onderwijskundige diensten. De schoolbesturen krijgen de financiering als één geheel (lumpsum) en zonder bestedingsvoorwaarden van de overheid uitgekeerd. De schoolbesturen bepalen vervolgens zelf hoe zij het geld besteden. De rijksoverheid geeft via de lumpsum een deel van de EU-subsidies door aan de onderwijsinstellingen. Voor het primair en voortgezet onderwijs worden de middelen die gemeenten besteden aan investeringen in de onderwijshuisvesting onder de lumpsum financiering vermeld. Voor hogescholen en universiteiten bevat de lumpsum financiering ook de bekostiging van het onderzoek dat zij volgens hun wettelijk taak moeten uitvoeren.
Contractonderzoek
De overheid laat onderzoek uitvoeren door onderwijsinstellingen in het hoger onderwijs. Voor de onderwijsinstellingen is contractonderzoek een commerciële activiteit die op aanvraag wordt uitgevoerd voor verschillende partijen, waaronder de overheid.
Apparaatskosten
Apparaatskosten hebben betrekking op het bewaken van de kwaliteit van het onderwijs, het voeren van beleid en administratie door ministeries en gemeenten, subsidies aan schoolbegeleidingsdiensten en dergelijke. Deze kosten worden op basis van de omvang van de onderwijssectoren toegedeeld aan de onderwijsinstellingen.
Subsidie- en fiscale regelingen
De overheid geeft huishoudens subsidie voor het volgen van onderwijs met een tegemoetkoming in de schoolkosten en studiefinanciering. Hiermee worden leerlingen/studenten of ouders (gedeeltelijk) gecompenseerd voor de uitgaven aan les- en collegegelden, boeken en leermiddelen en de kosten van openbaar vervoer en levensonderhoud. Aan jonggehandicapten vergoedt de overheid voorzieningen die hen in staat stellen om regulier onderwijs te volgen. De overheid verstrekt daarnaast kinderopvangtoeslag aan huishoudens en subsidies aan peuterspeelzalen en bedrijven in kinderdagopvang. Het deel hiervan dat gerelateerd is aan het educatieve deel van de dagbesteding van driejarigen, wordt meegeteld als uitgave aan onderwijs. De overheid geeft ook subsidies en fiscale regelingen aan bedrijven voor het verzorgen van leerlingenvervoer en de kosten voor het begeleiden van duale leerlingen en stagiairs uit het vmbo, mbo en hbo. De verstrekte studieleningen worden buiten beschouwing gelaten bij de bepaling van de totale uitgaven aan onderwijs.
Onderwijsvoorzieningen jonggehandicapten
Vergoeding van de rijksoverheid aan (ouders van) jonggehandicapten in basis- tot en met hoger onderwijs voor de aanschaf van voorzieningen die nodig zijn om de jonggehandicapte regulier onderwijs te laten volgen. Het gaat om voorzieningen als een doventolk voor dove leerlingen en studenten en hulpmiddelen als een aangepaste computer, aangepast schoolmeubilair en hulpmiddelen bij het lezen en schrijven. Voor leerlingen en studenten in het middelbaar beroeps- en hoger onderwijs gaat het daarnaast om een taxivergoeding, aangepaste bruikleenauto of aanpassingskosten en een kilometervergoeding voor de eigen auto voor het vervoer naar en van de onderwijsinstelling.
Huishoudens
De uitgaven van huishoudens bestaan uit de uitgaven aan onderwijsinstellingen en overige uitgaven aan onderwijs. Van de uitgaven worden de kinderopvangtoeslag, de vergoeding voor onderwijsvoorzieningen voor jonggehandicapten, de tegemoetkoming in de schoolkosten, een deel van de studiefinanciering en de studiebeurzen van bedrijven afgetrokken. De aflossingen op studieleningen, de tegemoetkoming in levensonderhoud en ontvangen leningen worden buiten beschouwing gelaten bij de bepaling van de totale uitgaven aan onderwijs.
Uitgaven aan onderwijsinstellingen
De uitgaven van huishoudens aan onderwijsinstellingen bestaan uit les- en collegegelden aan bekostigde en particuliere onderwijsinstellingen, ouderbijdragen en uitgaven aan schoolactiviteiten.
Totaal aan onderwijsinstellingen
De uitgaven van huishoudens aan onderwijsinstellingen bestaan uit les- en collegegelden aan bekostigde en particuliere onderwijsinstellingen, ouderbijdragen en uitgaven aan schoolactiviteiten.
Les- en collegegeld bekostigd onderwijs
De uitgaven van huishoudens aan les- en collegegelden van bekostigde (door de overheid gesubsidieerde) onderwijsinstellingen.
Les- en collegegeld particul. onderwijs
Les- en collegegeld particulier onderwijs.
De uitgaven van huishoudens uit les- en collegegelden van particuliere onderwijsinstellingen.
Ouderbijdragen en schoolactiviteiten
De uitgaven van huishoudens aan vrijwillige ouderbijdrage en schoolactiviteiten zoals excursies, schoolreisjes en dergelijke.
Ontvangen bijdragen
De bijdragen die huishoudens van de overheid en bedrijven ontvangen als tegemoetkoming in de kosten van het volgen van een opleiding of studie. Het betreft de tegemoetkoming in de schoolkosten, de studiefinanciering, de vergoeding voor onderwijsvoorzieningen voor jonggehandicapten en de studiebeurzen die door bedrijven beschikbaar gesteld worden. Ook de kinderopvangtoeslag die huishoudens ontvangen wordt meegeteld voor het deel dat gerelateerd wordt aan de educatieve component in de dagbesteding van driejarige kinderen in de kinderdagopvang. Bij de bepaling van de totale uitgaven aan onderwijs worden het deel van de studiefinanciering dat tegemoetkomt in de kosten van het levensonderhoud en de ontvangen studieleningen buiten beschouwing gelaten.
Onderwijsvoorzieningen jonggehandicapten
Vergoeding van de rijksoverheid aan (ouders van) jonggehandicapten in basis- tot en met hoger onderwijs voor de aanschaf van voorzieningen die nodig zijn om de jonggehandicapte regulier onderwijs te laten volgen. Het gaat om voorzieningen als een doventolk voor dove leerlingen en studenten en hulpmiddelen als een aangepaste computer, aangepast schoolmeubilair en hulpmiddelen bij het lezen en schrijven. Voor leerlingen en studenten in het middelbaar beroeps- en hoger onderwijs gaat het daarnaast om een taxivergoeding, aangepaste bruikleenauto of aanpassingskosten en een kilometervergoeding voor de eigen auto voor het vervoer naar en van de onderwijsinstelling.