Ondernemingsklimaat; ondernemerschap internationaal vergeleken 1990-2012

Ondernemingsklimaat; ondernemerschap internationaal vergeleken 1990-2012

Landen Perioden Ondernemersquote (% van de beroepsbevolking) Aankomend en jong ondernemerschap (TEA-index) Oprichting en opheffing van bedrijven Oprichtingen van bedrijven Absoluut (aantal) Oprichting en opheffing van bedrijven Oprichtingen van bedrijven Relatief (% van totaal aantal bedrijven) Oprichting en opheffing van bedrijven Opheffingen van bedrijven Absoluut (aantal) Oprichting en opheffing van bedrijven Opheffingen van bedrijven Relatief (% van totaal aantal bedrijven) Oprichting en opheffing van bedrijven Saldo oprichtingen en opheffingen Absoluut (aantal) Oprichting en opheffing van bedrijven Saldo oprichtingen en opheffingen Relatief (% van totaal aantal bedrijven) Houding ten opzichte van ondernemerschap (% van ondervraagden) Aandeel zelfstandig ondernemerschap Mannen (% van werkzame mannen) Aandeel zelfstandig ondernemerschap Vrouwen (% van werkzame vrouwen)
AU 2012 . . . . . . . . . . .
BE 2012 . . . . . . . . . . .
CA 2012 . . . . . . . . . . .
DK 2012 . . . . . . . . . . .
DE 2012 . . . . . . . . . . .
FI 2012 . . . . . . . . . . .
FR 2012 . . . . . . . . . . .
HU 2012 . . . . . . . . . . .
IE 2012 . . . . . . . . . . .
IT 2012 . . . . . . . . . . .
JP 2012 . . . . . . . . . . .
NL 2012 . . . . . . . . . . .
AT 2012 . . . . . . . . . . .
PL 2012 . . . . . . . . . . .
ES 2012 . . . . . . . . . . .
CZ 2012 . . . . . . . . . . .
UK 2012 . . . . . . . . . . .
US 2012 . . . . . . . . . . .
KR 2012 . . . . . . . . . . .
SE 2012 . . . . . . . . . . .
E1 2012 . . . . . . . . . . .
E2 2012 . . . . . . . . . . .
E3 2012 . . . . . . . . . . .
OE 2012 . . . . . . . . . . .
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting


Deze tabel geeft voor een aantal landen een overzicht van:
- de ondernemersquote;
- het aandeel ondernemers en het aandeel jonge ondernemers in de beroepsbevolking;
- de bedrijfsdemografische dynamiek (oprichtingen en opheffingen van bedrijven, overlevingskansen van bedrijven);
- het aandeel snelle groeiers op het totale aantal bedrijven;
- de houding ten opzichte van ondernemerschap;
- het aandeel zelfstandige ondernemers onder werkzame personen (naar geslacht).

Veel bedrijfsdemografische dynamiek, veel snelle groeiers, veel (jonge) zelfstandige ondernemers en een positieve houding ten opzichte van ondernemerschap duiden op een gunstig ondernemingsklimaat.

Let op: Om een internationale vergelijking mogelijk te maken is bij de bepaling van de hier gepresenteerde cijfers gebruik gemaakt van internationaal vergelijkbare definities, die soms afwijken van de normaal door het CBS gehanteerde definities. Hierdoor kunnen verschillen optreden tussen deze cijfers en elders op de CBS-website gepubliceerde nationale cijfers.

Gegevens beschikbaar vanaf 1990 tot en met 2012.

Status van de cijfers:
De externe bronnen van deze cijfers leveren regelmatig bijgestelde gegevens over voorgaande perioden. Deze bijgestelde gegevens worden in de tabel niet als zodanig aangemerkt.

Wijzigingen per 22 december 2017:
Geen, tabel is stop gezet.

Wanneer komen er nieuwe cijfers?
Niet.

Toelichting onderwerpen

Ondernemersquote
De ondernemersquote is gedefinieerd als het aantal ondernemers als percentage van de werkzame en werkzoekende beroepsbevolking. Als definitie van ondernemerschap geldt: alle eigenaren van bedrijven die tevens het bedrijf leiden en waarbij ondernemerschap voor de betreffende personen de hoofdactiviteit is. Onder deze definitie vallen derhalve zowel zelfstandigen van niet-rechtspersonen, als directeur /grootaandeelhouders (dga's) van rechtspersonen. Ondernemers in de
landbouw en visserij zijn buiten de analyse gebleven.

Bron: Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (EIM), op basis van de Labour Force Statistics database (LFS) van de OESO en aanvullende gegevens van Eurostat.
De OESO hanteert in de LFS geen uniforme definitie van een ondernemer, maar gaat uit van de definitie die het betreffende land hanteert, met als gevolg dat niet alle cijfers tussen landen onderling vergelijkbaar zijn. Daarnaast bevat de statistiek veel reeksbreuken. EIM heeft een methode ontwikkeld om gegevens uit diverse landen met elkaar te vergelijken op basis van een uniforme definitie. Het EIM heeft nagegaan welke definitie van ondernemer door de diverse landen in de verschillende statistieken gebruikt is. Er zijn toen voor het jaar 1992 ophoog-, c.q. afsplitsfactoren per land vastgesteld om tot een uniforme definitie te komen. In sommige landen (waaronder Nederland en de VS) zijn bijschattingen verricht voor de dga's, terwijl voor enkele andere landen schattingen zijn gemaakt van de zogenaamde meewerkende gezinsleden die op de aantallen ondernemers in de statistiek in mindering zijn gebracht. De ophoog- en afsplitsfactoren zijn bij gebrek aan informatie per jaar voor een aantal landen in de tijd constant gehouden. Tevens zijn correcties aangebracht voor de reeksbreuken in het materiaal van de OESO
door in het jaar van de reeksbreuk als groeicijfer de gemiddelde ontwikkeling van het voorafgaande jaar en het navolgende jaar te nemen.
Tot 1991 heeft Duitsland alleen betrekking op West-Duitsland. In de volgende jaren op een verenigd Duitsland.
Aankomend en jong ondernemerschap
De Total Entrepreneurial Activity-Index (TEA-index) staat voor de som van het aantal personen dat bezig is een bedrijf op te richten (aankomende ondernemers) of dat een bedrijf bezit/leidt dat minder dan 3,5 jaar bestaat (jonge ondernemers), uitgedrukt als percentage van de beroepsbevolking. In de TEA-index zijn alleen de oprichtingen met rechtspersoon opgenomen (zoals een BV of NV).

Bron: EIM, Global Entrepreneurship Monitor (GEM).

De TEA is een index voor de mate van nieuw ondernemerschap per land en wordt berekend als het percentage van mensen die dergelijke activiteiten ondernemen ten opzichte van de beroepsbevolking (bevolking tussen 18 en 64 jaar). De GEM is in 1999 van start gegaan op initiatief van 10 landen. Sinds 2001 neemt het EIM binnen het programma 'MKB en Ondernemerschat' deel aan de GEM. Jaarlijks zijn nu ruim dertig landen, waaronder twintig OESO-landen, betrokken bij dit onderzoek, zodat een goede internationale vergelijking mogelijk is van de mate van nieuw ondernemerschap en van het ondernemingsklimaat.
Oprichting en opheffing van bedrijven
De in deze tabel gebruikte definities voor oprichtingen en opheffingen van bedrijven verschillen sterk van de definities die worden gebruikt bij elders door het CBS voor alleen Nederland gepubliceerde cijfers. Zo worden in de nationale CBS-cijfers bijvoorbeeld alleen bedrijven geteld wanneer er ten minste 1 persoon 15 uur of meer per week werkzaam is. In deze internationale vergelijking wordt een bedrijf geteld wanneer er ten minste 1 persoon 1 uur per week werkt. Het onderstaande overzicht geeft de voornaamste verschillen weer.

Internationale vergelijking (deze tabel):
Populatie: Gehele bedrijfsleven exclusief landbouw en visserij (NACE Rev 3.1 sectoren C-K; N-O). De gezondheidszorg maakt hier wel deel van uit; de overheid en het onderwijs niet. De NACE Rev 3.1 is de Engelstalige Standaard Bedrijfsindeling (SBI), die onder meer door Eurostat wordt gebruikt.
Eenheid: Juridische onderneming.
Definitie oprichting: Starters en nieuwe dochters, voorzover actief.
Definitie opheffing: Algemene opheffingen van actieve bedrijven en faillissementen van actieve bedrijven. Fusies en overnames zijn niet meegerekend, behalve voor eenmanszaken.
Definitie actief bedrijf: Ten minste 1 persoon werkt ten minste 1 uur per week in de onderneming.

Nationale CBS-cijfers (elders gepubliceerd):
Populatie: Bedrijfsleven exclusief opvoeringen in de landbouw, visserij, financiële instellingen, openbaar bestuur en de gesubsidieerde sector.
Eenheid: Bedrijf.
Definitie oprichting: Nieuwe economisch actieve bedrijven; voortzettingen van één of meer bestaande bedrijven (fusie, overname, verzelfstandiging, eigenaarwisseling, naamswijziging e.d.) worden niet als nieuw beschouwd.
Definitie opheffing: Er is sprake van een opheffing als een bedrijf in jaar (t+1) niet meer tot de populatie actieve bedrijven behoort, terwijl dit in het vorige jaar (t) wel het geval was. Voor een opheffing geldt als aanvullende voorwaarde dat er geen andere bedrijven bij de gebeurtenis zijn betrokken. Met andere woorden een structuurwijziging (fusie, overname, afsplitsing, uiteenvallen) leidt niet tot een opheffing.
Definitie actief bedrijf: Ten minste 1 persoon is 15 uur of meer per week werkzaam.

Bron: EIM, Internationale Benchmark Ondernemerschap.

N.B.: Het saldo van fusies en afsplitsingen ligt jaarlijks gemiddeld rond de 0,75 - 1 procent van het aantal bedrijven. Het aandeel oprichtingen en opheffingen waarbij de ondernemer minder dan 15 uur actief is in het bedrijf schommelt voor Nederland jaarlijks tussen de 15 procent en 20 procent (bron: EIM). Als bronnen worden door het EIM doorgaans het Handelsregister en/of het BTW-register gehanteerd. Een drietal landen - Frankrijk, de VS en Japan - hanteert een statistiekregister. Voorzover landen een andere afbakening van toe- en uittredingen hanteren, heeft het EIM deze volgens een vaste procedure geüniformeerd. Hiervoor is primair naar Nederlandse verhoudingscijfers gekeken. Internationaal zijn correcties nodig voor o.a. niet-actief, en het meetellen van verhuizingen en overdrachten. Zie de 'Internationale Benchmark Ondernemerschap' van het EIM voor een exacte beschrijving van de procedure per land.

Oprichtingen van bedrijven
Aantal oprichtingen van bedrijven.

Bron: EIM.
Absoluut
Relatief
Opheffingen van bedrijven
Aantal opheffingen van bedrijven.

Bron: EIM.
Absoluut
Relatief
Saldo oprichtingen en opheffingen
Het verschil tussen het aantal oprichtingen en opheffingen van bedrijven.

Bron: EIM.
Absoluut
Relatief
Houding ten opzichte van ondernemerschap
Percentage van de ondervraagden (steekproef onder inwoners van de Europese Unie (EU) en enkele andere landen, waaronder de Verenigde Staten, Noorwegen en IJsland) dat ondernemerschap verkiest boven werknemer zijn. De exacte vraagstelling luidde: 'Als u zou kunnen kiezen tussen verschillende soorten banen, welke zou voor u de voorkeur hebben:
werknemer zijn;
zelfstandige zijn;
geen van beide.'
Aandeel zelfstandig ondernemerschap
Onder zelfstandige ondernemers vallen onder andere werkgevers (met personeel), zelfstandigen zonder personeel (ZZP'ers) en onbetaald meewerkende gezinsleden (deze laatste groep komt vooral veel voor in kleinschalige landbouw en detailhandel). Directeuren op de loonlijst van grote bedrijven worden niet als zelfstandige ondernemers gezien. Een werkzame persoon is hier gedefinieerd als iemand van 15 jaar of ouder, die ten minste 1 uur per week betaald werk heeft verricht.

Bron: OECD, Factbook 2010.
Mannen
Deel van mannelijke werkzame personen dat zelfstandig ondernemer is.
Vrouwen
Deel van vrouwelijke werkzame personen dat zelfstandig ondernemer is.