Maatstaven Financiële-verhoudingswet (Fvw)

Maatstaven Financiële-verhoudingswet (Fvw)

Status cijfer Regio's Perioden Inwoners stedelijk en landelijk gebied Inwoners landelijk gebied Totaal landelijk gebied (aantal) Klantenpotentiëlen Lokaal klantenpotentieel (aantal) Klantenpotentiëlen Regionaal klantenpotentieel (aantal) Woonkernen Woonkernen: totaal (aantal) Woonkernen Woonkernen: minimaal 500 adressen (aantal) Oppervlakten Bebouwing Bebouwing: totaal (ha) Bodemgesteldheid en oeverlengte Bodemfactor Bodemfactor woonkernen(Gf-Fvw) (aantal) Bodemgesteldheid en oeverlengte Oeverlengte Oeverlengte totaal (hm) Vastgoed Belastingcapaciteit woningen (mln euro) Vastgoed Belastingcapaciteit niet-woningen (mln euro) Vastgoed Amendement De Pater (mln euro) Omgevingsadressendichtheid (per km²) Uitwonende studenten (aantal)
Voorlopig Nederland, Buitenland, Niet in te delen 2022
Voorlopig Nederland 2022 5.872.080 3.341 1.154 114.812 1,08 1.012.207 2.034
Voorlopig Buitenland 2022
Voorlopig Nederland; niet in te delen 2022
Voorlopig Noord-Nederland (LD) 2022 1.081.570 845 209 15.280 1,04 225.324 1.224
Voorlopig Oost-Nederland (LD) 2022 1.609.440 785 256 27.969 1,03 193.245 1.316
Voorlopig West-Nederland (LD) 2022 1.647.070 1.025 406 41.037 1,18 475.492 2.748
Voorlopig West-Nederland, exclusief G4 (LD) 2022
Voorlopig Zuid-Nederland (LD) 2022 1.534.000 686 283 30.526 1,01 118.146 1.487
Voorlopig Extra-Regio (LD) 2022
Voorlopig Buitenland (LD) 2022
Voorlopig Niet in te delen (LD) 2022
Voorlopig Groningen (PV) 2022 311.270 220 58 4.738 1,08 60.330 1.787
Voorlopig Fryslân (PV) 2022 436.930 357 92 6.038 1,03 111.399 1.008
Voorlopig Drenthe (PV) 2022 333.370 268 59 4.504 1,00 53.596 830
Voorlopig Overijssel (PV) 2022 530.620 238 69 9.484 1,00 72.327 1.370
Voorlopig Flevoland (PV) 2022 135.770 49 16 2.700 1,15 38.796 1.309
Voorlopig Gelderland (PV) 2022 943.050 498 171 15.785 1,02 82.121 1.287
Voorlopig Utrecht (PV) 2022 333.110 176 65 7.056 1,10 73.682 2.035
Voorlopig Noord-Holland (PV) 2022 519.360 354 121 13.817 1,17 168.733 3.209
Voorlopig Zuid-Holland (PV) 2022 545.720 321 147 16.589 1,25 193.006 2.847
Voorlopig Zeeland (PV) 2022 248.890 174 73 3.575 1,10 40.070 912
Voorlopig Noord-Brabant (PV) 2022 1.007.000 421 177 21.049 1,01 89.167 1.568
Voorlopig Limburg (PV) 2022 526.990 265 106 9.477 1,00 28.979 1.313
Voorlopig Extra-Regio (PV) 2022
Voorlopig Buitenland (PV) 2022
Voorlopig Niet in te delen (PV) 2022
Voorlopig Oost-Groningen (CR) 2022 96.660 74 17 1.367 1,01 19.786 745
Voorlopig Delfzijl en omgeving (CR) 2022 33.630 27 5 488 1,28 6.343 695
Voorlopig Overig Groningen (CR) 2022 180.990 119 36 2.883 1,08 34.202 2.259
Voorlopig Noord-Friesland (CR) 2022 213.890 157 49 2.755 1,05 43.462 1.168
Voorlopig Zuidwest-Friesland (CR) 2022 99.780 108 22 1.452 1,03 34.556 743
Voorlopig Zuidoost-Friesland (CR) 2022 123.260 92 21 1.831 1,00 33.381 928
Voorlopig Noord-Drenthe (CR) 2022 129.350 102 20 1.678 1,00 18.412 875
Voorlopig Zuidoost-Drenthe (CR) 2022 120.040 93 24 1.608 1,00 23.284 697
Voorlopig Zuidwest-Drenthe (CR) 2022 83.980 73 15 1.217 1,00 11.899 932
Voorlopig Noord-Overijssel (CR) 2022 197.580 108 27 3.212 1,00 42.436 1.234
Voorlopig Zuidwest-Overijssel (CR) 2022 69.720 30 8 1.169 1,00 8.021 1.410
Voorlopig Twente (CR) 2022 263.310 100 34 5.103 1,00 21.870 1.440
Voorlopig Veluwe (CR) 2022 281.600 170 45 5.273 1,00 17.651 1.298
Voorlopig Achterhoek (CR) 2022 244.690 135 38 3.957 1,00 19.291 898
Voorlopig Arnhem/Nijmegen (CR) 2022 238.040 94 46 4.265 1,00 22.959 1.641
Voorlopig Zuidwest-Gelderland (CR) 2022 178.720 99 42 2.289 1,12 22.220 777
Voorlopig Utrecht (CR) 2022 333.110 176 65 7.056 1,10 73.682 2.035
Voorlopig Kop van Noord-Holland (CR) 2022 203.070 138 46 3.001 1,18 47.614 1.019
Voorlopig Alkmaar en omgeving (CR) 2022 61.910 29 12 1.401 1,02 19.635 1.716
Voorlopig IJmond (CR) 2022 32.030 20 8 1.077 1,02 7.003 2.008
Voorlopig Agglomeratie Haarlem (CR) 2022 22.610 10 7 910 1,01 5.177 3.002
Voorlopig Zaanstreek (CR) 2022 27.310 13 5 808 1,31 14.432 2.002
Voorlopig Groot-Amsterdam (CR) 2022 117.900 106 30 5.475 1,28 62.036 4.573
Voorlopig Het Gooi en Vechtstreek (CR) 2022 54.530 38 13 1.146 1,01 12.836 2.036
Voorlopig Agglomeratie Leiden en Bollenstreek (CR) 2022 55.100 48 22 2.092 1,11 20.343 2.323
Voorlopig Agglomeratie 's-Gravenhage (CR) 2022 32.780 19 11 2.884 1,08 19.283 4.088
Voorlopig Delft en Westland (CR) 2022 42.510 18 5 1.282 1,14 11.578 2.450
Voorlopig Oost-Zuid-Holland (CR) 2022 115.080 73 26 1.929 1,42 56.734 1.630
Voorlopig Groot-Rijnmond (CR) 2022 220.470 119 61 6.459 1,29 61.800 2.813
Voorlopig Zuidoost-Zuid-Holland (CR) 2022 79.780 44 22 1.943 1,37 23.268 1.876
Voorlopig Zeeuwsch-Vlaanderen (CR) 2022 81.160 65 23 1.149 1,02 13.601 654
Voorlopig Overig Zeeland (CR) 2022 167.730 109 50 2.426 1,14 26.469 1.017
Voorlopig West-Noord-Brabant (CR) 2022 226.670 99 41 5.066 1,01 25.415 1.564
Voorlopig Midden-Noord-Brabant (CR) 2022 181.540 80 33 3.833 1,03 19.586 1.814
Voorlopig Noordoost-Noord-Brabant (CR) 2022 317.150 130 52 5.718 1,00 24.597 1.271
Voorlopig Zuidoost-Noord-Brabant (CR) 2022 281.650 112 51 6.433 1,00 19.570 1.660
Voorlopig Noord-Limburg (CR) 2022 163.270 87 32 3.108 1,00 11.783 1.057
Voorlopig Midden-Limburg (CR) 2022 152.380 73 32 2.335 1,00 11.028 968
Voorlopig Zuid-Limburg (CR) 2022 211.340 105 42 4.035 1,00 6.168 1.550
Voorlopig Flevoland (CR) 2022 135.770 49 16 2.700 1,15 38.796 1.309
Voorlopig Extra-Regio (CR) 2022
Voorlopig Buitenland (CR) 2022
Voorlopig Niet in te delen (CR) 2022
Voorlopig Geen stadsgewest (SG) 2022
Voorlopig Groningen (SG) 2022
Voorlopig Leeuwarden (SG) 2022
Voorlopig Zwolle (SG) 2022
Voorlopig Enschede (SG) 2022
Voorlopig Apeldoorn (SG) 2022
Voorlopig Arnhem (SG) 2022
Voorlopig Nijmegen (SG) 2022
Voorlopig Amersfoort (SG) 2022
Voorlopig Utrecht (SG) 2022
Voorlopig Amsterdam (SG) 2022
Voorlopig Haarlem (SG) 2022
Voorlopig Leiden (SG) 2022
Voorlopig 's-Gravenhage (SG) 2022
Voorlopig Rotterdam (SG) 2022
Voorlopig Dordrecht (SG) 2022
Voorlopig Breda (SG) 2022
Voorlopig Tilburg (SG) 2022
Voorlopig 's-Hertogenbosch (SG) 2022
Voorlopig Eindhoven (SG) 2022
Voorlopig Geleen/Sittard (SG) 2022
Voorlopig Heerlen (SG) 2022
Voorlopig Maastricht (SG) 2022
Voorlopig Buitenland (SG) 2022
Voorlopig Niet in te delen (SG) 2022
Voorlopig Geen grootstedelijke agglomeratie (GA) 2022
Voorlopig Groningen (GA) 2022
Voorlopig Leeuwarden (GA) 2022
Voorlopig Zwolle (GA) 2022
Voorlopig Enschede (GA) 2022
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting


Deze tabel bevat gegevens die mede als grondslag dienen bij het bepalen van de hoogte van de Algemene Uitkeringen aan gemeenten en provincies.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bepaalt deze uitkeringen aan gemeenten en provincies aan de hand van verdeelmodellen. De hiervoor gebruikte eenheden die het CBS levert voor de definitieve en voorlopige cijfers van de maatstaven worden beschreven in de 'Toelichting op de berekeningen van de uitkeringen uit het gemeentefonds 1997 e.v. jaren', uitgave Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Het aantal inwoners in stedelijke en landelijke gebieden wordt berekend ten behoeve van het verdeelstelsel gehanteerd door het Provinciefonds. Dit verdeelstelsel is op 1 januari 1998 in werking getreden (Staatsblad, 1997, 526).

Met ingang van verslagjaar 2016 worden er door CBS geen gegevens meer gepubliceerd over grootstedelijke agglomeraties en stadsgewesten.
Door diverse maatschappelijke ontwikkelingen zijn de filosofie en methode die ten grondslag liggen aan de afbakening niet langer actueel.
Daarnaast blijkt dat andere instanties, afhankelijk van het toepassingsgebied, een afwijkende indeling van grootstedelijke agglomeraties en stadsgewesten hanteren, waardoor er niet meer gesproken kan worden van één standaard.

De herindeling van gemeenten Amsterdam en Weesp tot de nieuwgevormde gemeente Amsterdam vindt plaats op 24 maart 2022.
In de “Wet van 9 juni 2021 tot herindeling van de gemeenten Amsterdam en Weesp” wordt bij berekening van de Algemene Uitkering afgeweken van de ingangsdatum van herindeling en uitgegaan van nieuwvorming van Amsterdam per 1 januari 2022. In deze tabel wordt daarom uitgegaan van nieuwvorming van de gemeente Amsterdam per 1 januari 2022 en wordt het grondgebied van Weesp toegevoegd aan COROP 23 in plaats van COROP 24.
Overige Statlinetabellen hanteren de gemeentelijke indeling naar de toestand per 1 januari 2022. In die tabellen zal de nieuwvorming van Amsterdam en bovengemeentelijke indelingen per 1 januari 2023 effectief zijn, tenzij anders genoemd.

Gegevens beschikbaar vanaf: 2007.

Status van de cijfers:
Er worden zowel voorlopige als definitieve cijfers gepubliceerd.

De onderwerpen: belastingcapaciteit woningen, belastingcapaciteit niet-woningen en amendement De Pater kunnen door nagekomen berichten ondanks de status definitief alsnog worden aangepast.

Wijzigingen per december 2021:
Definitieve cijfers 2019
- Belastingcapaciteit woningen
- Belastingcapaciteit niet-woningen
- Amendement De Pater
Definitieve cijfers 2018
- Uitwonende studenten

Voorlopige cijfers 2022
- Inwoners stedelijk en landelijk gebied
- Klantenpotentiëlen
- Woonkernen
- Oppervlakten
- Bodemgesteldheid en oeverlengte
- Omgevingsadressendichtheid
Voorlopige cijfers 2021
- Belastingcapaciteit woningen
- Belastingcapaciteit niet-woningen
- Amendement De Pater
Voorlopige cijfers 2019
- Uitwonende studenten

Wanneer komen er nieuwe cijfers?
Nieuwe cijfers worden onregelmatig gepubliceerd.

Toelichting onderwerpen

Inwoners stedelijk en landelijk gebied
Het aantal inwoners wordt ingedeeld naar vijf stedelijkheidsklassen.
De indeling naar stedelijkheidsklasse wordt afgeleid van de Omgevingsadressendichtheid (OAD) die wordt weergegeven in adressen per km².
De volgende klassen worden onderscheiden:
- Zeer sterk stedelijk (omgevingsadressendichtheid van 2 500 of meer)
- Sterk stedelijk (omgevingsadressendichtheid van 1 500 tot 2 500)
- Matig stedelijk (omgevingsadressendichtheid van 1 000 tot 1 500)
- Weinig stedelijk (omgevingsadressendichtheid van 500 tot 1 000)
- Niet-stedelijk (omgevingsadressendichtheid van minder dan 500).

Inwoners stedelijk gebied is de som van het aantal inwoners in de klassen zeer sterk stedelijk en sterk stedelijk (omgevingsadressendichtheid van 1 500 of meer).
Inwoners landelijk gebied is de som van het aantal inwoners in de klassen weinig stedelijk en niet stedelijk (omgevingsadressendichtheid van minder dan 1 000).
Inwoners in de klasse matig stedelijk worden niet tot landelijk of stedelijk gebied gerekend binnen maatstaven van het Provinciefonds.

Definitieve cijfers
Met ingang van de cijfers over 2015 wordt de OAD berekend naar de BAG van 1 januari, waarbij aan alle verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen een vierkant van 500 meter bij 500 meter is toegekend.
De OAD voor 2014 en eerdere jaren is berekend met behulp van het Geografisch Basisregister (GBR) van januari van het peiljaar, waarbij aan alle adressen van het GBR een vierkant is toegekend.
Inwoners per rastervierkant zijn afkomstig door alle personen van de Gemeentelijke Basis Administratie per 1 januari van het peiljaar aan vierkanten toe te delen.

Voorlopige cijfers
Berekening wordt uitgevoerd in november van het voorgaand jaar.
De gemeentelijke indeling van het peiljaar is afgeleid van een herindeling en eventuele opsplitsing van gemeenten van het voorgaande jaar. Grenscorrecties tussen gemeenten worden hierbij buiten beschouwing gelaten.
Met ingang van 2015 wordt berekening van voorlopige cijfers van een peiljaar gebruik gemaakt van de BAG van 1 september van het voorgaand jaar voor afleiding van de stedelijkheidsklasse van het vierkant. De toedeling van aantallen inwoners naar stedelijkheidsklasse vindt plaats door gebruik te maken van definitieve bevolkingsaantallen per rastervierkant van 1 januari van het voorgaand jaar.
Bij de berekening van cijfers voor 2014 en voorgaande jaren worden de aantallen inwoners per gemeente toegedeeld aan als woonadressen te beschouwen adressen van het GBR van het voorgaande jaar. Op dat moment zijn nog niet aan alle adressen in het GBR van het voorgaande jaar vierkanten toegekend.
Inwoners landelijk gebied
Inwoners landelijk gebied is de som van het aantal inwoners in de klassen weinig stedelijk en niet stedelijk (omgevingsadressendichtheid van minder dan 1 000).

Per regio op 1 januari (afgerond op 10-tallen).
Totaal landelijk gebied
Aantal inwoners in weinig stedelijk en niet stedelijk gebied (minder dan 1 000 adressen/km²),

Per regio op 1 januari (afgerond op 10-tallen).
Klantenpotentiëlen
Cijfers over het aantal potentiële lokale en regionale klanten van de woonkernen (Gf-Fvw) van een gemeente.

De methodologie van berekenen is voor beide potentiëlen nagenoeg gelijk.
Bij de berekeningen wordt uitgegaan van de woonkernen zoals in deze publicatie gedefinieerd, met dien verstande dat:
Vanaf het peiljaar 2001 een kernvierkant dat op het grondgebied van twee of meer gemeenten ligt als (behorend tot) een woonkern voor ieder van deze gemeenten wordt beschouwd.
Voorafgaand aan de bepaling van het klantenpotentieel wordt eerst het zwaartepunt van ieder van de betrokken woonkernen bepaald. Het zwaartepunt van iedere woonkern wordt vastgelegd als een X- en een Y-coördinaat (in eenheden van 500 meter).

Deze coördinaten worden in de berekening gebruikt om de onderlinge afstanden van woonkernen te bepalen. De afstand van een woonkern(Fvw-Gf) tot zichzelf en de afstand van twee woonkernen(Fvw-Gf) minder dan een kilometer wordt ten behoeve van de berekeningen op één kilometer gesteld.
Vervolgens wordt het inwonertal van iedere woonkern binnen een gemeente bepaald. Inwoners van een gemeente die niet in een woonkern wonen, worden aan de woonkernen van een gemeente toegedeeld naar rato van hun inwonertal.

Als eerste stap in de berekening wordt voor iedere woonkern in Nederland het aantal inwoners volgens een formule opgesplitst in aantallen potentiële klanten van de woonkernen binnen een straal van 20 kilometer voor het lokaal potentieel, respectievelijk 60 kilometer voor het regionaal potentieel.
Verondersteld is dat de lokale aantrekkingskracht van een kern recht evenredig toeneemt met het aantal inwoners en afneemt met het kwadraat van de afstand tot die kern. Bij de regionale aantrekkingskracht van een kern neemt deze toe met het kwadraat van het inwonertal en neemt deze af met het kwadraat van de afstand tot die kern.

Als tweede stap wordt per woonkern de aldus toegekende potentiële lokale en regionale klanten opgeteld.
Het klantenpotentieel van een gemeente wordt verkregen door het aantal potentiële klanten van alle woonkernen binnen de gemeente te sommeren.

Definitieve cijfers
Met ingang van cijfers over 2015 zijn deze afgeleid van het Basisregister Adressen en gebouwen (BAG) van 1 januari van het peiljaar. Aan alle verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen is een vierkant van 500 bij 500 meter toegekend.
Bij cijfers over 2014 en voorgaande jaren zijn deze afgeleid van het Geografisch Basisregister (GBR) van januari van het peiljaar, waarbij aan alle adressen een vierkant is toegekend.
Het aantal inwoners per rastervierkant is afkomstig uit de jaarlijkse telling uit de Gemeentelijke basisadministratie Personen (GBA) van 1 januari van het peiljaar. Deze aantallen zijn verkregen door het bestand van de GBA-telling met behulp van de BAG of het GBR van de coördinaat van het rastervierkant te voorzien.

Voorlopige cijfers
Deze worden berekend in november van het voorgaand jaar.
De gemeentelijke indeling van het peiljaar is afgeleid van een herindeling en, indien van toepassing, opsplitsing van gemeenten van het voorgaande jaar. Grenscorrecties tussen gemeenten worden hierbij buiten beschouwing gelaten.
Met ingang van cijfers voor 2015 wordt gebruik gemaakt van de BAG van 1 september van 2014 voor afleiding van de woonkernen. De toedeling van inwoners aan kernen vindt plaats door gebruik te maken van definitieve bevolkingsaantallen per rastervierkant van 1 januari 2013.
Bij de berekening van cijfers voor 2014 en eerder worden de aantallen inwoners per gemeente van het voorgaand jaar toegedeeld aan als woonadressen te beschouwen adressen van het GBR van het voorgaande jaar. Nog niet aan alle adressen in het GBR van het voorgaande jaar zijn op dat moment vierkanten toegekend.
Lokaal klantenpotentieel
Aantal potentiële lokale klanten van de woonkernen(Gf-Fvw) in een gemeente.
Het aantal potentiële lokale klanten van een woonkern(Gf-Fvw) is gedefinieerd als het aantal inwoners dat die kern aantrekt uit alle kernen binnen een straal van 20 kilometer.
De som van het aantal potentiële lokale klanten over alle gemeenten is gelijk aan het landelijk inwonertal op 1 januari en is afgerond op 10-tallen.
Regionaal klantenpotentieel
Aantal potentiële regionale klanten van de woonkernen(Gf-Fvw) in een gemeente.
Het aantal potentiële regionale klanten van een woonkern(Gf-Fvw) is gedefinieerd als het aantal inwoners dat die kern aantrekt uit alle kernen binnen een straal van 60 kilometer.
De som van het aantal potentiële regionale klanten over alle gemeenten is gelijk aan het landelijk inwonertal op 1 januari en is afgerond op 10-tallen.
Woonkernen
Woonkernen(Gf-Fvw) zijn in de Financiële verhoudingswet(Fvw) omschreven als geïsoleerde rastervierkanten of aaneen gesloten gebieden van met zijden aan elkaar grenzende rastervierkanten van 500 bij 500 meter (volgens de Rijksdriehoekmeting) binnen een gemeente.
Ieder rastervierkant van een woonkern(Gf-Fvw) bevat ten minste 25 adressen.
De toevoeging (Gf-Fvw) geeft aan dat deze definitie wordt gehanteerd in het kader van de Financiële verhoudingswet (Fvw) die de uitkeringen uit het Gemeentefonds (Gf) regelt.

Definitieve cijfers
Deze worden met ingang van cijfers over 2015 afgeleid van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), waarbij aan verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen per 1 januari van het peiljaar aan een vierkant wordt toegekend. Voor de cijfers over 2014 en eerder zijn deze afgeleid van het Geografisch Basisregister (GBR) van januari van het peiljaar, waarbij aan adressen een vierkant is toegekend.

Voorlopige cijfers
Deze worden berekend in november van het voorgaand jaar.
De gemeentelijke indeling van het peiljaar is afgeleid van herindeling en, indien van toepassing, opsplitsing van gemeenten van het voorgaande jaar. Grenscorrecties tussen gemeenten worden hierbij buiten beschouwing gelaten.
Met ingang van cijfers over 2015 worden de BAG van 1 september van het jaar voorafgaand aan het peiljaar als bron gebruikt. De cijfers over 2014 en eerdere jaren worden afgeleid van het GBR van januari van een voorgaand jaar. Nog niet aan alle adressen in het GBR zijn op dat moment vierkanten toegekend.
Woonkernen: totaal
Het totaal aantal woonkernen(Gf-Fvw) per regio of gemeente volgens de indeling op 1 januari van het peiljaar.
Woonkernen: minimaal 500 adressen
Het aantal woonkernen(Gf-Fvw) met minimaal 500 adressen binnen een gemeente, volgens de indeling op 1 januari van het peiljaar.
Deze eenheid is opgenomen met ingang van het peiljaar 2008.
Oppervlakten
Cijfers over oppervlakten van bebouwing, land(Gf-Fvw), binnenwater(Gf-Fvw), buitenwater(Gf-Fvw) en bedrijfsterreinen.
De toevoeging (Gf-Fvw) geeft aan dat deze definitie wordt gehanteerd in het kader van de Financiële verhoudingswet (Fvw) die de uitkeringen uit het Gemeentefonds (Gf) regelt.

De oppervlakte land(Gf-Fvw), binnen- en buitenwater(Gf-Fvw) in hectare, wordt berekend op basis van de meest recente topografische kaartbladen van de Basis Registratie Topografie (BRT) van het Kadaster, volgens de omschrijvingen van de meest recent gepubliceerde statistiek van het Bodemgebruik.
Jaarlijks werd ongeveer 25% van de digitale topografische kaart van Nederland opnieuw door het Kadaster geïnventariseerd en gepubliceerd. Met ingang van 2012 is deze publicatie verdubbeld tot 50%.

Naast deze oppervlakten land(Gf-Fvw), binnen- en buitenwater(Gf-Fvw) publiceert het CBS ook oppervlakten land, binnen- en buitenwater volgens de methodiek van de statistiek van het Bodemgebruik. Berekende oppervlakten land en water verschillen tussen beide publicaties. Daar waar de berekening voor het Gemeentefonds uitgaat van de meest recent gepubliceerde topografische kaarten is de statistiek van het Bodemgebruik een jaaropname, die integraal van Nederland eens in de drie jaar wordt uitgevoerd. Daarnaast wordt in de toepassing voor het Gemeentefonds delen van binnenwater tot buitenwater gerekend en andersom.

De oppervlakte bedrijfsterreinen, in hectaren, wordt berekend aan de hand van het meest recent gepubliceerde Bestand Bodemgebruik van het CBS.
Met ingang van cijfers voor de provinciale indeling 2013 geldt het oppervlakte bedrijfsterreinen van het Bestand Bodemgebruik 2010 als grondslag.
Met ingang van cijfers voor de provinciale indeling 2016 geldt het oppervlakte bedrijfsterreinen van het Bestand Bodemgebruik 2012 als grondslag.

Definitieve cijfers
Berekening vindt plaats met definitieve gemeentegrenzen van het peiljaar en de meest recent gepubliceerde topografische kaarten.

Voorlopige cijfers
Berekening vindt plaats in november van het voorgaand jaar en is gebaseerd op definitieve gegevens van twee jaar voor het peiljaar.
De gemeentelijke cijfers van het peiljaar worden afgeleid van definitieve gegevens van twee jaar daarvoor, gecombineerd met gemeentegrenzen van het voorgaand jaar waarop een herindeling naar het peiljaar is toegepast.
Bebouwing
De oppervlakte bebouwing is de oppervlakte van de verticale projectie van de contouren van bebouwing op het aardoppervlak.
Met ingang van cijfers over 2015 worden pandcontouren uit de Basisregistratie Adressen en gebouwen (BAG) afgeleid, waarbij pandcontouren worden uitgesloten welke overwegend als kas/warenhuis of tank aan te merken zijn volgens de Basisregistratie Topografie (BRT) van het Kadaster.
Cijfers over 2014 en eerdere jaren zijn volledig afgeleid van de BRT.

De oppervlakte bebouwing wordt berekend met behulp van een Geografisch informatiesysteem waarbij topografische kaartbladen, dichtheden per rastervierkant en gemeentegrenzen worden gecombineerd.

Alleen bij afleiding van oppervlakten bebouwing voor 2014 en voorgaande jaren vindt indexering van de oppervlakte plaats naar het peiljaar.
Indexering vindt plaats in verschillende stappen. Eerst wordt per dichtheidsklasse, zowel voor woonkernen als het buitengebied en de gemiddelde bebouwing (in vierkante meters) voor ieder betrokken rastervierkant berekend.
Vervolgens wordt per vierkant de ophogingfactor bebouwing berekend aan de hand van de verschillen in adressen tussen opname- en uitkeringsjaar en het gemiddeld bebouwingsoppervlak per adres voor de dichtheidsklasse waarvan het rastervierkant deel uitmaakt.
Tenslotte wordt de oppervlakte bebouwing van het rastervierkant vermeerderd met de berekende ophogingfactor, waarbij voor de geïndexeerde oppervlakte bebouwing per rastervierkant een ondergrens van 0 hectare en een bovengrens van 20 hectare wordt aangehouden.

Definitieve cijfers
Met ingang van cijfers over 2015 worden oppervlakten bebouwing per woonkern en buitengebied afgeleid van de afgeleide pandcontouren en het aantal verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen per 500 bij 500 meter vierkant op 1 januari in de BAG.
Afleiding van oppervlaktecijfers naar woonkernen en buitengebied voor 2014 en voorgaande jaren vindt plaats met behulp van gegevens van de BRT en definitieve gegevens van het Geografisch Basisregister van januari van het peiljaar, waarbij aan alle adressen een vierkant is toegekend.
Bebouwingscontouren worden gecombineerd met de definitieve gemeentegrenzen van het peiljaar.

Voorlopige cijfers
Berekening vindt plaats in november van het voorgaand jaar.
De gemeentelijke indeling van het peiljaar is afgeleid van een herindeling en eventuele opsplitsing van gemeenten van het voorgaande jaar. Grenscorrecties tussen gemeenten worden hierbij buiten beschouwing gelaten.
Met ingang van cijfers over 2015 worden deze gebaseerd op de BAG van 1 september voorafgaand aan het peiljaar. Voorlopige cijfers over 2014 en voorgaande jaren zijn gebaseerd op definitieve gegevens van het GBR van het peiljaar twee jaar daarvoor.
Bebouwing: totaal
Totale oppervlakte bebouwing per regio of gemeente volgens de indeling op 1 januari van het peiljaar.
Bodemgesteldheid en oeverlengte
Bodemgesteldheid en oeverlengte bevat:
- De oppervlakten klei/kleiveen en veengrond (slechte grond)
- Het percentage slechte grond.
- De bodemfactoren
- De totale oeverlengte
- De oeverlengte op kleiveen- en veengronden

De oppervlakte 'slechte grond' is de oppervlakte in hectare van een minimaal vijf meter dik aaneengesloten pakket holocene klei- en/of veenlagen dat zich binnen de eerste acht meter onder het maaiveld bevindt, voor zover de betrokken lagen niet zijn gelegen onder water(Gf-Fvw) of water breder dan 100m.
Er is sprake van een aaneengesloten pakket:
- Klei, wanneer de cumulatieve veendikte binnen de bovenste vijf meter slechte grond maximaal 50 cm bedraagt;
- Kleiveen, wanneer de cumulatieve veendikte binnen de bovenste vijf meter slechte grond tussen de 50 cm en de 400 cm bedraagt;
- Veen, wanneer de cumulatieve veendikte binnen de bovenste vijf meter slechte grond minimaal 400 cm bedraagt.
De contouren van de 'slechte gronden' zijn in 1997 door NITG-TNO vastgesteld.
Bodemfactor
Een bodemfactor van een regio is het gewogen gemiddelde aandeel van de verschillende grondsoorten onder land(Gf-Fvw) en van het binnenwater(Gf-Fvw) ten opzichte van het totale oppervlak van land(Gf-Fvw) en binnenwater(Gf-Fvw) binnen deze regio.

Bij de weging worden de volgende wegingsfactoren gehanteerd:
Weging Categorie
1,00 - Land: goede grond
1,30 - Land: klei
1,45 - Land: kleiveen
2,10 - Land: veen (met ingang van 2007)
1,00 - Binnenwater

De oppervlakken goede grond, klei, kleiveen, veen en binnenwater(Gf-Fvw) van een gemeente, wordt berekend met behulp van een Geografisch informatiesysteem waarbij topografische kaartbladen van de Basisregistratie Topografie, kaartbladen van het Bodemgebruik, basiskaart 'goede' en 'slechte' grond, dichtheden uit de BAG/GBR per 500m x 500m rastervierkant en gemeentegrenzen worden gecombineerd.
Dichtheden worden met ingang van cijfers over 2015 uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen afgeleid door aan verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen een 500 meter vierkant toe te kennen. Voor cijfers van 2014 en eerdere jaren is aan adressen van het Geografisch Basisregister een 500 meter vierkant toegekend.

Definitieve cijfers
Berekening vindt plaats met definitieve gemeentegrenzen van het peiljaar, het definitieve gegevens van de BAG of GBR van het peiljaar en de meest recent gepubliceerde topografische kaarten BRT.

Voorlopige cijfers
Berekening vindt plaats in november van het voorgaand jaar. Gemeentegrenzen worden afgeleid van die van het voorgaand jaar waarbij een herindeling en eventueel een opsplitsing van gemeenten naar de gemeentelijke indeling van het peiljaar wordt toegepast.
De verdeling van land en water is gebaseerd op definitieve topografische kaartbladen van het peiljaar twee jaar daarvoor.
De begrenzing van woonkernen en buitengebied van het peiljaar wordt met ingang van cijfers over 2015 afgeleid van de BAG van 1 september van het jaar voorafgaand aan het peiljaar. Bij cijfers over 2014 en eerder jaren wordt de woonkernen afgebakend volgens definitieve gegevens van het GBR van twee jaar daarvoor.

Bodemfactor woonkernen(Gf-Fvw)
Bodemfactor van woonkernen(Gf-Fvw) per gemeente of regio volgens de indeling op 1 januari van het peiljaar.
Oeverlengte
De oeverlengte is de lengte van de omtrek in hectometers (hm) van alle watervlakken, ongeacht de grootte, van het meest recent gepubliceerde Basis Register Topografie van het Kadaster.
Bij de bepaling van de omtrek van die watervlakken zijn de lijnen die de begrenzing vormen tussen het buitenwater(Gf-Fvw) en het land(Gf-Fvw), respectievelijk het buitenwater(Gf-Fvw) en het binnenwater(Gf-Fvw), uitgesloten.

De oeverlengte wordt berekend met behulp van een Geografisch informatiesysteem waarbij topografische kaartbladen, kaartbladen van het bodemgebruik en gemeentegrenzen worden gecombineerd.
De oeverlengte kleiveen- en veengrond wordt berekend met behulp van een Geografisch informatiesysteem waarbij topografische kaartbladen, kaartbladen van het bodemgebruik, de basiskaart 'goede' en 'slechte' grond en de kaart van de gemeentegrenzen worden gecombineerd.

Definitieve cijfers
Berekend met definitieve gemeentegrenzen van het peiljaar en de meest recent gepubliceerde topografische kaarten.

Voorlopige cijfers
Gerekend wordt met definitieve gemeentegrenzen van het voorgaand jaar waarop een herindeling is toegepast. Grenscorrecties tussen gemeenten worden hierbij buiten beschouwing gelaten.
Oeverlengte totaal
Totale oeverlengte per gemeente of regio volgens de indeling op 1 januari van het peiljaar.
Vastgoed
De volgende cijfers zijn opgenomen;
- De belastingcapaciteit van WOZ-objecten woningen en niet-woningen en de waardevermindering op de niet-woningen. Door nagekomen berichten van gemeenten kunnen deze cijfers ondanks de status definitief alsnog worden aangepast.
- De voorraadcijfers uit het Woningregister t/m 2012, uitgesplitst naar woningen, wooneenheden, recreatiewoningen en bijzondere woongebouwen.
- De voorraadcijfers uit de BAG met ingang van 2015, uitgesplitst naar woningen, woningen met logies en utiliteit (niet-woningen) met logies.
Belastingcapaciteit woningen
De belastingcapaciteit wordt bepaald aan de hand van de som van de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) vastgestelde waarden van de objecten waarover door de gemeente onroerendezaakbelasting (OZB) kan worden geheven. Woningen betreffen de onroerende zaken die tot woning dienen, bedoeld in artikel 220, onderdeel b, van de Gemeentewet.
In de belastingcapaciteit worden ook meegenomen de waarden van de objecten waarvan de gemeenten op vrijwillige basis vrijstelling van OZB verlenen.

WOZ-objecten woningen worden onderscheiden in:
- Woning dienend tot hoofdverblijf (WOZ-objectcode 10)
- Woning met praktijkruimte (WOZ-objectcode 11)
- Recreatiewoningen en overige woningen (WOZ-objectcode 12)

De waardepeildatum verslagjaar 2007 is 1 januari 2005.
De waardepeildatum verslagjaar 2008 is 1 januari 2007.
Vanaf 2008 worden onroerende goederen getaxeerd naar de waarde van 1 januari van het voorgaande jaar.


Belastingcapaciteit niet-woningen
De belastingcapaciteit wordt bepaald aan de hand van de som van de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) vastgestelde waarden van de objecten waarover door de gemeente onroerendezaakbelasting (OZB) kan worden geheven. Niet-woningen zijn de overige onroerende goederen waarin in hoofdzaak bedrijfsmatige activiteiten worden uitgevoerd. In de belastingcapaciteit worden ook meegenomen de waarden van de objecten waarvan de gemeenten op vrijwillige basis vrijstelling van OZB verlenen.

WOZ-objecten niet-woningen worden onderscheiden in:
- Boerderijen (WOZ-objectcode 20)
- Niet-woningen deels in gebruik als woning (WOZ-objectcode 21)
- Niet-woningen (WOZ-objectcode 30)
- Uitgezonderd gebouwd object (WOZ-objectcode 31)
- Terreinen (WOZ-objectcode 40)

De waardepeildatum verslagjaar 2007 is 1 januari 2005.
De waardepeildatum verslagjaar 2008 is 1 januari 2007.
Vanaf 2008 worden onroerende goederen getaxeerd naar de waarde van 1 januari van het voorgaande jaar.
Amendement De Pater
Het bedrag waarmee de belastingcapaciteit voor niet-woningen verminderd moet worden in verband met het buiten aanmerking laten van het woondeel bij gemengde panden.
Het amendement De Pater-van der Meer beoogt huishoudens met een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, te laten profiteren van de afschaffing van het gebruikersdeel op woningen, in het kader van de Wet 'Afschaffing gebruikersdeel OZB op woningen'.
Omgevingsadressendichtheid
Omgevingsadressendichtheid (OAD) in adressen / km².

De OAD is gedefinieerd als het gemiddeld aantal (hoofd)adressen dat een (hoofd)adres in zijn omgeving heeft. Als omgeving van een adres wordt een cirkel aangehouden met een straal van één kilometer rondom dat adres.
Bij gemeentelijke en bovengemeentelijke indelingen is de adres gewogen OAD bepaald.

Met ingang van cijfers over 2015 wordt het adres gedefinieerd als het hoofdadres van verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen volgens de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG).
Cijfers over 2014 en voorgaande jaren zijn gebaseerd op adressen van het Geografisch Basisregister (GBR).

Voor meer informatie over de OAD en zijn rol in de bepaling van de stedelijkheid van een gebied wordt verwezen naar het artikel: 'Een nieuwe maatstaf voor stedelijkheid: de omgevingsadressendichtheid' in de Maandstatistiek van de bevolking, jaargang 40, juli 1992, 14-27, CBS.

Definitieve cijfers
De OAD wordt berekend op basis van de BAG vanaf 2015 of het Geografisch Basisregister (GBR) van januari van het peiljaar, waarbij aan alle (hoofd)adressen een vierkant is toegekend.

Voorlopige cijfers
Berekening wordt uitgevoerd in november van het voorgaand jaar.
De gemeentelijke indeling van het peiljaar is afgeleid van een herindeling en, indien van toepassing, opsplitsing van gemeenten van het voorgaande jaar. Grenscorrecties tussen gemeenten worden hierbij buiten beschouwing gelaten.
Met ingang van cijfers over 2015 worden deze afgeleid van de BAG van 1 september van het jaar voorafgaand aan het peiljaar. Cijfers over 2014 en eerdere jaren worden berekend uit het GBR van het jaar voorafgaand aan het peiljaar waarbij nog niet aan alle adressen in het GBR op dat moment vierkanten zijn toegekend.
Uitwonende studenten
Uitwonende studenten (WO en HBO)

Voor deze indicator wordt naar de positie in het huishouden volgens de Basisregistratie personen (BRP) gekeken om te bepalen of iemand thuis- of uitwonend is. Personen die op hun ouderlijk adres staan ingeschreven in de BRP krijgen de positie van kind in het huishouden toegewezen. Personen die niet op hun ouderlijk adres staan ingeschreven krijgen een andere positie in het huishouden, dit geldt dan als uitwonend. Vervolgens wordt gekeken of de persoon een inschrijving in het hoger onderwijs (bestaande uit WO en HBO) heeft om te bepalen of hij of zij een student is.