Lage inkomensgrens

De lage-inkomensgrens weerspiegelt een vast koopkrachtbedrag in de tijd. De grens is afgeleid van het bijstandsniveau voor een alleenstaande in 1979, toen dit in koopkracht het hoogst was. Voor meerpersoonshuishoudens is deze grens met behulp van equivalentiefactoren aangepast aan omvang en samenstelling van het huishouden. Omdat de lage-inkomensgrens alleen voor de prijsontwikkeling wordt geïndexeerd, is dit criterium bij uitstek geschikt voor vergelijkingen in de tijd.

De inkomensgegevens hebben hier betrekking op huishoudens waarvan de hoofdkostwinner gedurende het gehele jaar een inkomen had. Studentenhuishoudens en bewoners van instellingen, inrichtingen en tehuizen zijn buiten beschouwing gelaten.

In de cyclus van de Inkomensstatistiek wordt in jaar t voorzien in voorlopige inkomensgegevens voor jaar t-1 en in definitieve inkomensgegevens voor jaar t-2. De hier gepubliceerde, nieuwe armoedecijfers betreffen dus de voorlopige cijfers 2018 en de definitieve cijfers 2017. De meetfouten in de voorlopige gegevens zijn groter dan die in de definitieve gegevens waardoor het armoederisico op basis van voorlopige inkomensgegevens (doorgaans) wordt overschat. Bij de langdurige risicopercentages speelt de problematiek van meetfouten minder en is er nauwelijks verschil tussen voorlopige en definitieve cijfers.

Terug naar artikel