Gemeenteraadsverkiezingen in de jaren dertig

19-3-2018 15:30
Historisch beeld. Bejaarden en hun verpleegster brengen hun stem uit in een stemlokaal tijdens gemeenteraadsverkiezingen van 1939
© Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo
Op verzoek van de Kiesraad zijn drie historische publicaties van het CBS over gemeenteraadsverkiezingen in de jaren dertig gedigitaliseerd. Het CBS publiceert deze tabellen ter gelegenheid van de gemeenteraadsverkiezingen 2018.

Bronnen voor deze historische verkiezingscijfers zijn de door het CBS gemaakte publicaties Statistisch overzicht verkiezingen van 1931 en 1935, beide in Den Haag bij de Rijksuitgeverij verschenen, en het ongepubliceerde handschrift Verkiezingen 1939: Prov. Staten, Gemeenteraden, stemmen en kiezers. Deze drie bronnen zijn door het CBS en de Kiesraad gedigitaliseerd en gecontroleerd.

Opkomst verplicht

De opkomst voor de verkiezingen was hoog. Tot 1971 gold bij verkiezingen een opkomstplicht.

Andere partijen

Het partijlandschap zag er in de jaren dertig heel anders uit dan nu, ook al bestaan er relaties tussen de huidige partijen en die van voor de Tweede Wereldoorlog.

Veel partijen hadden een religieuze achtergrond. De Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP) was de grootste katholieke partij. Daarnaast was er een aantal kleinere partijen, zoals de Katholiek Democratische Partij (KDP), die samen met de RKSP na de Tweede Wereldoorlog opgingen in de Katholieke Volkspartij, die in 1980 weer opging in het Christen-Democratisch Appèl (CDA).

Daarnaast waren er meerdere protestants-christelijke partijen. De Staatkundig-Gereformeerde Partij (SGP) bestaat nog steeds. De Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en de Christelijk-Historische Unie (CHU) gingen in 1980 op in het CDA. Aan het bestaan van de Hervormd-Gereformeerde Staatspartij (HGSP) kwam een einde in de Tweede Wereldoorlog. De Christelijk-Democratische Unie (CDU) ging na de oorlog op in de Partij van de Arbeid (PvdA).

De Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) was de grootste linkse partij, en voorloper van de huidige PvdA. Daarnaast was er de Communistische Partij Holland (CPH), vanaf 1935 de Communistische Partij van Nederland genaamd. (CPN). Deze ging in 1991 op in GroenLinks. De Revolutionair Socialistische Arbeiderspartij (RSAP) was een afsplitsing van de CPH en kwam na de Tweede Wereldoorlog niet terug.

De Liberale Staatspartij (LSP), ook wel de Vrijheidsbond genoemd, was de grootste liberale partij en was een voorloper van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD). Van de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) ging na de Tweede Wereldoorlog een deel over naar de PvdA en een deel naar de VVD.

In de jaren dertig ontstond ook een aantal rechts-nationalistische partijen, zoals het Verbond voor Nationaal Herstel (VNH) en de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). Deze partijen werden tijdens de oorlog opgeheven of daarna verboden.

De Nationale Boeren-, Tuinders- en Middenstandspartij (NBTMP) ontstond in 1933 uit de Plattelandersbond maar verdween aan het eind van de jaren dertig uit beeld.

Naast de genoemde partijen waren er nog veel partijen met een kleine landelijke of lokale achterban. Soms waren dit afdelingen van grotere landelijke partijen die zich voor de gemeenteraadsverkiezingen onder een andere naam inschreven. In sommige tabellen staan zij vermeld onder Plaatselijk Belang (PLB). Verder komen deze partijen in de tabellen meestal terug onder de ‘andere partijen met minimaal 1 zetel’ en ‘partijen zonder zetel’.