Rendementen en CO2-emissie elektriciteitsproductie 2016

26-1-2018 02:00
Bij de productie van elektriciteit wordt in veel gevallen gebruikgemaakt van fossiele brandstoffen, wat leidt tot emissies van CO2. Voor evaluatie van energie- en klimaatbeleid is het nuttig om het fossiele energieverbruik en de CO2-emissies per eenheid geproduceerde elektriciteit te berekenen. Deze omrekening is verre van triviaal, onder andere omdat de productie van elektriciteit vaak wordt gecombineerd met andere activiteiten zoals de productie van warmte.

Harmelink Consulting, Agentschap NL, ECN, CBS en PBL (2012) hebben mogelijke methodes voor de berekening van het fossiel (en nucleair) energieverbruik per eenheid geproduceerde/verbruikte elektriciteit en de CO2-emissie per eenheid geproduceerde/verbruikte elektriciteit beschreven en twee standaard methodes voorgesteld:

  • Een gemiddelde methode: de integrale methode
  • Een marginale methode: de referentieparkmethode

In de notitie Berekening van de CO2-emissies, het primair fossiel energiegebruik en het rendement van elektriciteit in Nederland worden deze methodes beschreven en wordt aangegeven voor welke doeleinden deze gebruikt kunnen worden.

Update 2016

De notitie Harmelink et al. (2012) bevat cijfers tot en met het verslagjaar 2010. Sindsdien berekent het CBS ieder jaar opnieuw de cijfers over de rendementen en CO2-emissies van elektriciteitsproductie. In dit bericht zijn de gegevens over 2016 aan de reeks toegevoegd (tabel 1).

Uit de tabel volgt dat het rendement op fossiele brandstoffen volgens de integrale methode in 2016 is toegenomen ten opzichte van 2015. Dat komt door de toename van de productie van hernieuwbare elektriciteit. Hernieuwbare elektriciteit telt in deze methode wel mee in de teller van deze berekening maar niet in de noemer.

Ook het rendement volgens de referentieparkmethode is toegenomen. Dit komt doordat in 2016 de centrale productie van elektriciteit uit aardgas flink toenam terwijl die uit steenkool juist afnam, mede doordat drie oude, laagrenderende kolencentrales in het kader van de afspraken in het Energieakkoord van 2013 buiten gebruik zijn gesteld. In de referentieparkmethode speelt hernieuwbare elektriciteit geen rol.

Volgens beide methoden is de CO2-emissie per eenheid geproduceerde elektriciteit in 2016 duidelijk afgenomen. Dat heeft te maken met de afgenomen productie van elektriciteit uit steenkool, terwijl die uit aardgas toenam. Steenkool heeft een veel hogere CO2-emissie per joule gebruikte brandstof dan aardgas.