De Nederlandse landbouw heeft al jaren te maken met grote mineralenoverschotten. Deze vinden hun oorsprong in het grootschalig gebruik van kunstmest en (grotendeels geïmporteerde) veevoedergrondstoffen. Hiermee worden veel meer mineralen op landbouwgrond aangevoerd dan er met landbouwproducten worden afgevoerd. Met name de stikstof- en fosforoverschotten uit de landbouw dragen in belangrijke mate bij aan de vermesting en verzuring van het milieu.
In 2008 bedroegen de mineralenoverschotten in de landbouw 388 mln kg stikstof, 22 mln kg fosfor en 60 mln kg kalium. Dit is een sterke daling ten opzichte van het topjaar 1986: van stikstof met 53 procent, van fosfor met 77 procent en van kalium met 70 procent. Het CBS heeft voor diverse jaren de stikstof-, fosfor- en kaliumoverschotten in de landbouw vastgesteld en gepubliceerd. De methodiek is beschreven in de publicatie 'Mineralen in de landbouw, 1970-1990' (CBS, 1992).
Mineralenoverschotten en beleid sinds 1970
De overschotten in 2008 bedroegen 365-388 mln kg stikstof, 19-22 mln kg fosfor en 50-60 mln kg kalium. Dit is een daling ten opzichte van een jaar eerder: van stikstof met circa 4 procent, van fosfor met ruim 20 procent en van kalium met ruim 15 procent. Er werd bijna evenveel dierlijke mest aangevoerd maar minder kunstmest (de afname in het gebruik van kunstmest bedroeg voor stikstof 7 procent, voor fosfor 25 procent en voor kalium ruim 35 procent). De afvoer met gewassen bleef nagenoeg gelijk.
De dalende trend zet zich voort in 2009 (voorlopige cijfers). Ten opzichte van 2008 was de aanvoer met meststoffen iets lager bij nagenoeg gelijkblijvende opbrengst van gewassen, waardoor het stikstofoverschot afnam met 3 procent, het fosforoverschot met 5 procent en het kaliumoverschot met 20 procent.
Ontwikkeling van de overschotten, 1983-2009*

De mineralenoverschotten in de landbouw stegen tot 1986 door de toegenomen omvang van de veestapel. Daarna kwam een daling tot stand door de invoering van wettelijke maatregelen zoals de Beschikking Superheffing (1984) en de Mestwetgeving. De Superheffing leidde tot een sterke daling van het aantal runderen. Ook zijn de mineralengehalten van krachtvoer, vooral de fosforgehalten, gedaald. Verder is het gebruik van stikstofmeststoffen aanzienlijk afgenomen in de periode 1986 tot 1990. Daarna (tot 1999) is het stikstofgebruik en daarmee het overschot echter nauwelijks afgenomen. Dit komt doordat het mestbeleid nog vooral gericht was op het terugdringen van het fosfaatgebruik. Vanaf 1998 richt het mestbeleid zich ook op stikstof (Nitraatrichtlijn (EU, 1991); MINAS (LNV, 1995) ), waarbij er normen gesteld zijn aan de stikstofbelasting van landbouwgrond om zo ook de uitspoeling van nitraat naar het grondwater en oppervlaktewater te beperken en de kwaliteit van het drinkwater veilig te stellen.
MINAS, 1998-2005
Na de introductie van het ‘Mineralen Aangifte Systeem’ (MINAS) kwam de daling van het stikstofoverschot weer op gang en zijn de overschotten van fosfor en kalium verder omlaag gegaan. De jaren 2003 en 2005 vormen een uitzondering op de dalende trend. In deze jaren zijn de overschotten hoger dan in het jaar ervoor door vooral tegenvallende gewasopbrengsten. Hierdoor zijn er met het gewas minder mineralen afgevoerd. Bovendien zijn in 2005 met meststoffen meer mineralen aangevoerd dan in 2004. Ten opzichte van 1997 daalde het overschot in 2005 van zowel stikstof als van fosfor met 28 procent en van kalium met 19 procent. Ten opzichte van 1986 bedroeg de daling in 2005 voor stikstof 45 procent, voor fosfor 59 procent en voor kalium 55 procent.
Nieuw Mestbeleid per 1 januari 2006:
Per 1 januari 2006 is MINAS vervangen door het Nieuwe Mestbeleid waarbij er aanvoernormen voor stikstof en fosfor gelden in plaats van de verliesnormen in het MINAS-systeem. Na de stijging in 2005 dalen de overschotten weer gestaag ten opzichte van 2006. Vooral de aanvoer met kunstmeststoffen is na 2006 weer fors gedaald (in 2008 een afname van 17 procent stikstof, 43 procent fosfor en 31 procent kalium) terwijl de afvoer met gewassen gelijk bleef of zelfs iets steeg. Hierdoor zijn de overschotten in 2008 fors gedaald ten opzichte van 2006 (stikstof met 13 procent, fosfor met bijna de helft en kalium met 35 procent). De daling van de overschotten zet zich voort in 2009 (voorlopige cijfers).
Het mineralenoverschot wordt bepaald door de aan- en afvoer van mineralen. De afvoer met gewassen is behalve van de mate van bemesting en grondsoort ook afhankelijk van de weersomstandigheden. Jaarlijks kunnen de gewasopbrengsten door veranderde weersomstandigheden sterk van elkaar afwijken met als gevolg schommelingen in de overschotten. In 2008 bedroegen de overschotten circa 25-55 procent van de totale aanvoer van mineralen: voor fosfor 23 procent, voor kalium 31 procent en voor stikstof 53 procent. Dit komt overeen met een benutting van 77 procent fosfor, 69 procent kalium en 47 procent stikstof: een flinke verbetering sinds de invoering van MINAS. In 1997 bedroeg de benutting van fosfor 48 procent, van kalium 46 procent en van stikstof 31 procent en in 1990 respectievelijk 36 procent, 39 procent en 25 procent.
Norma Fong
Bron: Mineralenbalans Nederlandse landbouw, 1970-2009*
Meer informatie is beschikbaar over:
• Stroomschema’s stikstof, fosfor en kalium 2006-2008
• Sectorbalansen 1990-2008
• Bodembalansen 1990-2009*
Referenties