22-12-2011
Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. In demografisch opzicht is de naoorlogse geboortegolf een opvallend verschijnsel in de dalende reeks geboortecijfers vanaf 1870. Deze daling is een kenmerk van de Eerste Demografische Transitie. Rond 1965 vond een Tweede Demografische Transitie plaats waarbij het gangbare standaardlevensloopmodel (als jonge man/vrouw thuis wonen tot het huwelijk, trouwen en kinderen krijgen) wordt vervangen door het keuzelevensloopmodel (jong zelfstandig wonen, ongehuwd of gehuwd samenwonen met partner en op latere leeftijd kinderen krijgen of kinderloos blijven). Toch is deze cesuur rond 1965 minder scherp als de levensloop van de babyboomgeneratie (1945–1954) nader wordt onderzocht. Eerder is sprake van een vloeiende overgang waarbij het keuzelevensloopmodel eerst bij de generatie van de jaren zestig volledig tot ontwikkeling komt. Auteurs: Jacques van Maarseveen en Carel Harmsen
22-12-2011
Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. In 1971 telde Nederland 3,3 miljoen meerpersoonshuishoudens en iets minder dan 0,7 miljoen eenpersoonshuishoudens. Tussen 1971 en 2011 is het aantal meerpersoonshuishoudens gestegen naar 4,7 miljoen, een stijging van ruim 40 procent.
22-12-2011
Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. In 2010 zijn ruim 184 duizend kinderen in Nederland geboren. De gemiddelde leeftijd van de vader was met 34 jaar drie jaar hoger dan die van de moeder. De meeste vaders (80 procent) en moeders (85 procent) van deze kinderen waren tussen de 25 en 40 jaar oud.
22-12-2011
Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. Op 1 januari 2011 telde Nederland ruim 7,7 miljoen personenauto’s. Dat betekent dat er per duizend inwoners van 18 jaar of ouder 588 auto’s waren. In 2001 bedroeg dit aantal nog 525.
22-12-2011
Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. Gemiddeld over alle 27 landen van de Europese Unie in 2010 was de groene druk 35 procent en de grijze druk 28 procent. Dat betekent dat er op elke 65-plusser 3,5 werkenden zijn. Deze aandelen lopen echterflink uiteen tussen de lidstaten.
22-12-2011
Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. Op 1 januari 2010 was bij 44 procent van alle Nederlandse woningen sprake van een huurwoning. Het aandeel huurwoningen van een corporatie bedroeg bijna een derde van de gehele woningvoorraad.
22-12-2011
Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. Het afgelopen decennium is het aantal Chinezen in Nederland bijna verdubbeld. De groei hangt deels samen met de geboorte van tweede generatie Chinezen. Belangrijker nog is dat in de loop van het eerste decennium bijna 25 duizend Chinezen voor werk en/of studie naar Nederland zijn gekomen. Hiermee is de Chinese bevolkingsgroep qua omvang de vijfde groep niet-westerse allochtonen in Nederland geworden. Auteurs: Frank Linder, Lotte van Oostrom, Frank van der Linden en Carel Harmsen
22-12-2011
Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. In het dagelijks leven bestaan allerlei noties over verschillen en overeenkomsten tussen groepen Surinamers in Nederland: Hindostanen met relatief weinig gemengde relaties; Creolen en Marrons met veel alleenstaande ouders; Chinese Surinamers met veel hoogopgeleiden, relatief veel zelfstandigen en relatief hoge inkomsten, vooral uit arbeid; en Javaanse Surinamers die relatief vaak werknemer zijn. Wordt rekening gehouden met opleidingsniveau, dan worden de verschillen tussen de Surinaamse bevolkingsgroepen veel kleiner. Auteurs: Ko Oudhof en Carel Harmsen
22-12-2011
Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. Met data uit de eerste wave van de Nederlandse LevensLoop Studie (NELLS) vergelijken we Marokkanen, Turken en autochtonen (in de leeftijd 15–45 jaar) op een breed scala van sociale en culturele uitkomsten. De resultaten laten zien dat de gemiddelde Marokkaan/Turk traditioneler is dan de gemiddelde autochtone Nederlander. Dat uit zich zowel op sociaal gebied (meer familiaal) als op cultureel gebied (meer conservatief). De verschillen tussen eerste en tweede generatie immigranten zijn aanzienlijk op het gebied van waarden en normen, maar veel kleiner op het gebied van sociale kenmerken. Alle gepresenteerde verschillen zijn gecorrigeerd voor verschillen in opleidingsniveau, regio, urbanisatiegraad, leeftijd en sekse. Het NELLS werd mogelijk gemaakt door subsidie van NWO (via het Investeringen Middelgroot programma) en bijdragen van de universiteiten van Tilburg en Nijmegen. De tweede wave is voorzien voor 2012/2013. Auteurs: Paul M. de Graaf, Matthijs Kalmijn, Gerbert Kraaykamp en Christiaan W.S. Monden
22-12-2011
Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. De 40 aandachtswijken die in 2007 door minister Vogelaar zijn aangewezen, zijn in de periode 1999–2008 in vergelijking met de sociaaleconomische positie van de andere stadswijken tamelijk stabiel gebleven. Ook de sociaaleconomische ontwikkeling van de bewoners was gelijk aan die van andere stadsbewoners. Net als andere stadswijken kunnen aandachtswijken als springplank fungeren: onder personen die zich nieuw vestigden waren lage-inkomstengroepen oververtegenwoordigd, terwijl de mensen die in de wijk bleven wonen vaker sociaal stegen dan daalden, en ook de vertrekkers vaker sociale stijgers waren. Auteurs: Matthieu Permentier, Marjolijn Das en Karin Wittebrood
22-12-2011
Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. In dit artikel wordt op basis van het Woon Onderzoek Nederland 2009 gekeken naar de mate waarin huizenbezitters met verhuisplannen een huurwoning verkiezen boven een koopwoning. Hoewel veruit de meeste eigenaar-bewoners op zoek zijn naar een koopwoning wil toch 16 procent een huurwoning. Dit percentage ligt nog veel hoger onder eenpersoonshuishoudens en paren van 75 jaar of ouder. Ook eigenaar-bewoners die vanwege een scheiding of een slechte gezondheid willen verhuizen, hebben een grotere voorkeur voor een huurwoning. Daarnaast prefereren vooral huishoudens in koopwoningen die geen baan hebben of een inkomen hebben beneden het minimumloon een huurwoning. In het algemeen bepalen de gezinsfase, verhuismotief en de financiële situatie van het huishouden de voorkeur voor huren onder eigenaar-bewoners het sterkst. Auteurs: Ingrid Esveldt en Andries de Jong
22-12-2011
Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. Subjectief welzijn, in termen van geluk en tevredenheid met het leven, is gerelateerd aan verschillende factoren die betrekking hebben op de kwaliteit van leven. De ervaren gezondheid is het meest van belang. Maar ook regelmatig op vakantie gaan, een partner, contact met familieleden en het wonen in een buurt waar mensen prettig met elkaar omgaan, gaan gepaard met meer welzijn. Onveiligheidsgevoelens hangen negatief samen met geluk en de tevredenheid met het leven. Auteurs: Jacqueline van Beuningen en Rianne Kloosterman
22-12-2011
Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. Hoe lager het inkomen of het vermogen, hoe meer mensen zorg zonder verblijf (voorheen thuiszorg) krijgen. Dat geldt met name voor het ontvangen van huishoudelijke hulp. Inkomen en vermogen zijn onafhankelijk van elkaar gerelateerd aan zorg zonder verblijf. Tevens is er sprake van een interactie tussen inkomen en vermogen ten aanzien van zorg zonder verblijf. De combinatie resulteert in effecten die op onderdelen fors groter zijn dan de som van de effecten van inkomen en vermogen afzonderlijk. Zo is er een verhoogde kans op zorg zonder verblijf bij ouderen met een laag inkomen én een laag vermogen. In de beschrijving van verschillen in het krijgen van zorg zonder verblijf heeft de samenvoeging van inkomen en vermogen tot één welvaartsindicator daarom zeker een toegevoegde waarde naast het gebruik van inkomen of vermogen als aparte indicatoren. Auteurs: Marleen Wingen, Mirthe Bronsveld-de Groot, Anton Kunst en Ferdy Otten
26-09-2011
Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. Thuiswonende kinderen die op zichzelf gaan wonen verhuizen verreweg het vaakst in augustus of september. In die twee maanden vindt bijna een kwart van de verhuizingen plaats van thuiswonende kinderen die als alleenstaande gaan wonen.
26-09-2011
Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. Van de 7,4 miljoen huishoudens in Nederland betreft een derde een huishouden met een of meer kind(eren). In bijna zeven op de tien gezinnen met een of meer kind(eren) gaat het om een gehuwd ouderpaar en bij 13 procent om een niet-gehuwd ouderpaar.
26-09-2011
Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. In 2010 woonden Nederlanders op gemiddeld 1,1 kilometer van het dichtstbijzijnde kinderdagverblijf. In Noord-Holland was de afstand met 800 meter het kleinst en in Friesland met gemiddeld 2,1 kilometer het grootst. Inwoners van het Friese eiland Schiermonnikoog woonden gemiddeld het verst van een kinderdagverblijf, met een gemiddelde afstand van meer dan 30 kilometer.
26-09-2011
Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. In de afgelopen halve eeuw is de bevolking van Nederland naar verhouding veel sterker gegroeid dan die van de meeste andere Europese landen. In deze periode groeide de Nederlandse bevolking met 45 procent, van 11,4 naar 16,6 miljoen inwoners.
26-09-2011
Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. Op 1 januari 2011 woonden er 1,9 miljoen niet-westerse allochtonen in Nederland. Daarmee vormden ze 11,4 procent van de totale bevolking. De afgelopen decennia is dit aandeel fors toegenomen.
26-09-2011
Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. In Utrecht wonen kinderen vooral in de Vinex-wijken Vleuten-De Meern en Leidsche Rijn, hebben zich in de omgeving van opleidingen veel studenten gevestigd en blijven mensen van middelbare leeftijd wonen waar zij zijn opgegroeid of op de comfortabele plek die ze later hebben verworven.
26-09-2011
Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. Omdat de belangstelling voor vruchtbaarheidscijfers van mannen is toegenomen, publiceert het CBS nu ook de (gemiddelde) leeftijd van vaders en het totale vruchtbaarheidscijfer van mannen vanaf 1996. In 2010 waren vaders gemiddeld 32,4 jaar bij de geboorte van het eerste kind. Dat is 3 jaar ouder dan de gemiddelde moeder. Het totaal vruchtbaarheidscijfer van mannen lag met 1,72 iets onder dat van vrouwen. Auteurs: Elma Wobma en Mila van Huis
26-09-2011
Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. De integratie van immigranten vergt doorgaans enkele generaties. Dit artikel vergelijkt de sociaaleconomische positie van allochtone en autochtone ouders en hun 25- tot 35-jarige kinderen. Allochtone ouders en hun kinderen blijken minder vaak werk en een lager inkomen te hebben dan hun autochtone generatiegenoten. Niet-westers allochtone zoons overtreffen vooral hun vader wat betreft inkomsten vaker dan autochtone zoons. De ten opzichte van autochtonen slechtere sociaaleconomische positie van niet-westerse allochtone ouders speelt hierbij een belangrijke rol. Auteurs: Ruben van Gaalen en Annemarie de Vos
26-09-2011
Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. In Nederland beschikken 1,1 miljoen personen over meerdere nationaliteiten. Ruim 60 procent van de Nederlanders vindt dat bij het verkrijgen van een Nederlands paspoort het andere paspoort moet worden afgestaan. Een kwart is van mening dat het andere paspoort niet hoeft worden afgestaan. Over de stelling ‘Ministers mogen geen dubbele nationaliteit hebben’ zijn de opvattingen nog meer uitgesproken: 70 procent vindt dat dit niet mag worden toegestaan, tegenover 18 procent voor wie dit geen probleem is. Vooral opvattingen over minderheden spelen een rol bij de mening over dubbele nationaliteiten. Iets minder belangrijk is de mening over de Europese eenwording en over Turkije als toekomstige EU-lidstaat. Auteurs: Hans Schmeets en Maarten Vink
26-09-2011
Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. Het Nederlandse zorgstelsel is gebaseerd op solidariteit. De meeste Nederlanders ondersteunen dit principe. Zij zijn van mening dat ouderen, mensen met een niet zo goede gezondheid en mensen die erfelijk belast zijn geen hogere zorgpremie zouden moeten betalen. Mensen met een ongezonde leefstijl kunnen op minder solidariteit rekenen: hun premie zou volgens ruim de helft hoger moeten zijn. Daarnaast zouden lage inkomens minder en hoge inkomens meer zorgpremie moeten betalen. Mensen blijken vooral solidair met groepen waartoe zij zelf behoren. Zo vinden vooral niet-rokers dat mensen die roken meer premiezouden moeten betalen. Auteur: Rianne Kloosterman
26-09-2011
Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. Sociale samenhang gaat samen met geluk en tevredenheid. Vooral mensen die meer contact hebben met familie, maandelijks deelnemen aan verenigingsactiviteiten en in een buurt wonen waar de sfeer goed is, geven relatief vaak aan dat ze gelukkig zijn. Ook frequent contact met vrienden of buren en vrienden in de buurt zijn van belang voor het ervaren van geluk en tevredenheid met het eigen leven. Tot slot blijken mensen die zich inzetten als vrijwilliger doorgaans gelukkiger en tevredener met hun leven dan mensen die dit niet doen. Auteurs: Godelief Mars en Hans Schmeets
26-09-2011
Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2011. Het overgrote deel van de Nederlandse bevolking kan bij buurtgenoten terecht voor praktische hulp. Minder vaak is er een steun en toeverlaat in de buurt: ruim de helft kan na een droevige gebeurtenis bij buren terecht. Een vergelijkbaar deel is van de partij als er een buurtactiviteit plaatsvindt. Het aandeel dat dergelijke activiteiten helpt organiseren is met een kleine 20 procent een stuk kleiner. Verder is ruim een vijfde wel eens als vrijwilliger actief geweest in de buurt. De oudere en middelbare leeftijdsgroepen, autochtonen en mensen in niet-stedelijke buurten hebben naar verhouding de meeste binding met hun buurt en buurtgenoten. Auteurs: Rianne Kloosterman, Karolijne van der Houwen en Saskia te Riele
06-07-2011
Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Uit een analyse van de relatie tussen sterfte en temperatuur in week 22 tot en met 30, de periode van de zomer waarin een hittegolf viel, blijkt dat voor Nederland als geheel de extra sterfte als gevolg van de hitte uitkwam op 22 personen per week per graad temperatuurstijging.
06-07-2011
Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Op 1 januari 2010 woonden er in Nederland 342 duizend Surinamers. Dat was ruim 2 procent van de totale bevolking. In 1972 bedroeg het aantal Surinamers nog slechts 53 duizend.
06-07-2011
Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Op 1 januari 2010 telde Nederland ruim 2,5 miljoen 65-plussers. Daarmee behoorde 15 procent van de totale bevolking tot deze leeftijdscategorie. De verschillen in het aandeel ouderen per provincie zijn groot: in Zeeland zijn ongeveer twee op de tien personen 65 jaar of ouder, terwijl dat in Flevoland slechts een op de tien is.
06-07-2011
Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. In veel landen, vooral in het noordelijke deel van de Europese Unie (EU), is niet-gehuwd samenwonen voor jonge mensen zonder kinderen inmiddels de norm geworden. Het aandeel niet-gehuwd samenwonenden is het hoogst bij paren waarin de vrouw een twintiger is, en neemt af met de leeftijd.
06-07-2011
Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. In 2009 was de levensverwachting van pasgeboren jongens 78,5 jaar (grafi ek 1). In 1950 was dit nog 70,3 jaar. Deze stijging in de levensverwachting van jongens vond grotendeels plaats vanaf het midden van de jaren zeventig.
06-07-2011
Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Op 1 januari 2010 telde Rotterdam 593 duizend inwoners. Van hen was bijna 37 procent (219 duizend) niet-westers allochtoon. In heel Nederland is ruim één op de tien inwoners van niet-westerse herkomst. Rotterdam heeft dus ruim drie keer zoveel niet-westerse inwoners als gemiddeld.
06-07-2011
Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Vooral door een naar Europese maatstaven langdurig hoog geboortecijfer is Nederland nu nog minder sterk vergrijsd dan zijn buurlanden en de meeste andere Europese landen. Binnen ons land bestaan echter wel zeer grote verschillen in vergrijzing. In perifere en welvarende gemeenten is de grijze druk tot bijna vijf keer zo hoog als in de jongste gemeenten. De toename van het aantal 65-plussers is in het afgelopen decennium onder mannen twee keer zo groot geweest als onder vrouwen. Deze ontwikkeling hangt sterk samen met de historische seksespecifieke trends in de sterfterisico’s. In absolute zin hebben de dalende sterftecijfers voor hart- en vaatziekten in de afgelopen vier decennia het meest bijgedragen aan de stijging van de levensverwachting. Sinds 2002 neemt de levensverwachting – en daarmee de vergrijzing – sneller toe dan voorheen en loopt ons land weer in de pas met andere West-Europese landen. Vanaf 2011 vergrijst Nederland in versneld tempo. De omvangrijke babyboomgeneratie en het snel gegroeide aantal niet-westerse allochtonen leveren in de komende decennia een grote bijdrage aan de vergrijzing. Auteurs: Joop Garssen
06-07-2011
Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Als onderdeel van de bevolkingsprognose publiceert het CBS om het jaar een langetermijnprognose voor de sterftekansen en de levensverwachting. De nieuwste update van deze prognose is 17 december 2010 verschenen. Het model voor de sterfteprognose maakt onderscheid tussen sterfte aan een aantal belangrijke doodsoorzaken. Ten opzichte van de prognose uit 2008 zijn er een aantal veranderingen in het model doorgevoerd. Er wordt in meer detail naar doodsoorzaken onderscheiden en dit onderscheid wordt tot hogere leeftijden gebruikt. Volgens de nieuwe prognose stijgt de periode-levensverwachting bij geboorte voor mannen tot 84,5 jaar in 2060 en voor vrouwen tot 87,4 jaar. De vorige prognose keek vooruit tot 2050. Voor dat jaar geeft de nieuwe prognose een bijstelling van de levensverwachting voor mannen met 0,5 jaar en voor vrouwen met 1,0 jaar. Volgens de nieuwe prognose zullen de mannen die in 1960 geboren werden een (cohort-)levensverwachting van 79 jaar hebben en zullen de vrouwen met dat geboortejaar gemiddeld 83 worden. Auteurs: Coen van Duin, Gwen de Jong, Lenny Stoeldraaijer en Joop Garssen
06-07-2011
Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. De uitkomsten van de nieuwe bevolkingsprognose voor de periode 2010–2060 zijn mede gebaseerd op veronderstellingen over de immigratie. Op grond van analyses van migratiepatronen en migratiemotieven naar herkomstgroepen wordt verwacht dat op termijn jaarlijks 144 duizend immigranten naar Nederland komen. De meesten van hen zijn afkomstig uit de Europese Unie, gevolgd door Azië. In toenemende mate zijn arbeid en studie belangrijke motieven voor migratie. Auteurs: Han Nicolaas, Coen van Duin, Stephan Verschuren en Elma Wobma
06-07-2011
Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. De emigratieveronderstellingen voor de bevolkingsprognose zijn voor een groot deel gebaseerd op retourpercentages: het aandeel immigranten dat weer uit Nederland vertrekt. De retourpercentages liggen relatief hoog voor arbeids- en studiemigranten en laag voor asiel- en gezinsmigranten. Het toegenomen belang van arbeidsmigratie betekent dat de retourpercentages voor veel herkomstgroepen naar verwachting ook in de toekomst rond het hoge niveau van het afgelopen tien jaar zullen liggen. De emigratiegeneigdheid van in Nederland geboren personen is in 2009 scherp gedaald, maar in 2010 weer iets hersteld. Verondersteld wordt dat deze in de toekomst gemiddeld genomen rond het niveau uit de jaren 2002–2003 zal liggen, nog iets boven het huidige niveau. Auteurs: Han Nicolaas, Coen van Duin, Stephan Verschuren en Elma Wobma
06-07-2011
Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Volgens de nieuwe huishoudensprognose groeit het aantal huishoudens in Nederland nog met een miljoen, tot een maximum van 8,5 miljoen rond 2045. Daarna is een beperkte krimp voorzien. De toename betreft bijna geheel eenpersoonshuishoudens, voornamelijk van ouderen. Ten opzichte van de vorige prognose zijn de verwachtingen wat betreft de relatieve verdeling van de verschillende huishoudenstypen bijna ongewijzigd. De aantallen liggen hoger door de bijgestelde verwachtingen voor de migratie en de levensverwachting in de bevolkingsprognose. Auteurs: Coen van Duin en Lenny Stoeldraijer
06-07-2011
Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Het karakter van arbeidsmigratie is sterk veranderd. Gastarbeiders uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw vestigden zich vaker permanent in Nederland dan de ‘nieuwe’ arbeidsmigranten. Dit artikel is gericht op de populatie immigranten die zich in de periode 2000-2006 inschrijven in de Gemeentelijke Basisadministratie en binnen een jaar een baan als werknemer hebben. Een deel is afkomstig uit westerse landen, goed geïntegreerd op de arbeidsmarkt en wordt op basis van hun toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie geselecteerd. Tegelijkertijd lijkt er nog steeds een meer klassieke groep arbeidsmigranten te bestaan, met een relatief laag inkomen en opleidingsniveau. Het hebben van een partner of kind zorgt voor meer binding met Nederland dan de sociaaleconomische situatie. Auteurs: Stephan Verschuren, Ruben van Gaalen en Han Nicolaas
06-07-2011
Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. In 2010 kwamen 13,3 duizend asielzoekers naar Nederland. Dit is een daling van 11 procent ten opzichte van 2009, toen 14,9 duizend mensen een asielverzoek indienden. Bijna de helft van de asielzoekers was afkomstig uit Irak, Somalië of Afghanistan. De aantallen asielzoekers uit Irak en Somalië zijn ten opzichte van 2009 sterk afgenomen, terwijl het aantal asielzoekers uit Afghanistan juist licht is toegenomen. Auteurs: Arno Sprangers en John de Winter
06-07-2011
Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Hedendaagse gezinnen kenmerken zich door een grote diversiteit in samenstelling. Veranderingen in demografisch gedrag, zoals uitstel en afstel van trouwen, uit elkaar gaan en het vormen van nieuwe gezinnen, hebben geleid tot meer variatie in gezinstypen. Gezien de demografische ontwikkelingen van de afgelopen tien à vijftien jaar lijkt het erop dat de Tweede Demografische Transitie wat betreft een aantal transities in de eindfase zit of deze eindfase heeft bereikt. Auteur: Arie de Graaf
06-07-2011
Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Eind september 2008 woonden er 338 duizend Surinamers van uiteenlopende etnische achtergrond in Nederland. Aan de hand van een nieuwe indelingsmethode op basis van de familienaam, kunnen de omvang, samenstelling en regionale spreiding van de diverse etnische groepen worden berekend. In dit artikel wordt deze methode beschreven en worden de aantallen Hindostanen, Creolen, Javanen, Chinezen en Marrons gepresenteerd. Auteurs: Ko Oudhof, Carel Harmsen, Suzanne Loozen en Chan Choenn
06-07-2011
Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Tussen nu en 2040 zal meer dan een derde van alle Nederlandse gemeenten te maken krijgen met een afname van de bevolking. In ongeveer een tiende van de gemeenten zal ook het aantal huishoudens dalen. Bevolkingsgroei en -krimp raken tal van maatschappelijke aspecten, waaronder lokale voorzieningen, arbeids- en woningmarkt en onderwijs. Uitstroom van kenniskapitaal, vermogenden en jongeren, leegstand en dalende vastgoedwaarden kunnen zich voordoen. Op snel groeiende plaatsen gebeurt vaak het tegenovergestelde. Dit artikel laat zien welke regio’s in de periode 2005 tot 2010 zijn gegroeid of gekrompen, en hoe de aantrekkingskracht van regio’s samenhangt met hun sociaaldemografische ontwikkeling. Regio’s die per saldo zowel buitenlandse nieuwkomers als binnenlandse toestromers aantrekken ‘vertwintigen’ en vergrijzen daarmee beduidend minder snel dan gemiddeld. De grijze druk neemt er zelfs af. Regio’s die relatief minder aantrekkend zijn, kennen meestal geen binnenlandse toestroom van jongeren, en de minst aantrekkende per saldo ook geen toestroom van andere leeftijdscategorieën. Frappant is ook dat in gebieden zonder aantrekkende werking onder twintigers vooral mannen overblijven. Auteurs: Jan Latten en Niels
06-07-2011
Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Voor bevolkingsprognoses maakt het CBS onder meer gebruik van gegevens over de sterfte naar doodsoorzaak. In de voorgaande prognoses werden vanaf 80-jarige leeftijd geen doodsoorzaken meer onderscheiden, omdat de codering ervan weinig valide werd geacht. Het doel van dit onderzoek is het bepalen van de leeftijd waarboven het onderscheiden van (specifieke) doodsoorzaken voor bevolkingsprognoses niet meer zinvol is. Daartoe zijn tijdreeksen opgesteld voor onvoldoende specifieke codes (‘verlegenheidscodes’) bij de groepen overledenen tot en vanaf 80 jaar. De hiervoor gebruikte lijst met verlegenheidscodes volgens Mathers et al. bevat code I50.9 (decompensatio cordis), waarvan we menen dat deze in Nederland niet als verlegenheidscode hoeft te worden aangemerkt. De resultaten worden daarom met en zonder I50.9 als verlegenheidscode gepresenteerd. Aan de hand van WHO-kwaliteitscriteria wordt geconcludeerd dat het optrekken van de leeftijdsgrens voor het onderscheiden van doodsoorzaken voor bevolkingsprognoses naar 85 jaar, en mogelijk zelfs tot 90 jaar, verantwoord is. Auteurs: Peter Harteloh en Kim de Bruin
06-07-2011
Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2011. Onder personen met een lager vermogen of inkomen is het aandeel dat naar de huisarts gaat groter dan onder personen met een hoger vermogen of inkomen. Hoe lager het inkomen of het vermogen, hoe groter bovendien de kans op de diagnose psychische problemen, problemen met de luchtwegen of diabetes mellitus. De combinatie van inkomen en vermogen tot een welvaartsindicator laat eenzelfde beeld zien als vermogen en inkomen afzonderlijk. Bij de diagnose psychische problemen is er bovendien een sterke interactie tussen inkomen en vermogen. Auteurs: Marleen Wingen, Marije Berger-Van Sijl, Anton Kunst en Ferdy Otten
28-03-2011
Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. In 2009 vonden er 3 153 geboorten plaats van tweelingen en 44 geboorten van drie- of meerlingen. Het aandeel van de tweelinggeboorten ligt sinds 2007 rond de 17 per duizend geboorten. In de jaren daarvoor, sinds 1998, waren dat er ruim 18.
28-03-2011
Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Op 1 januari 2010 woonden er 138 duizend Nederlands Antillianen en Arubanen in Nederland. Dat is iets minder dan 1 procent van de totale bevolking.
28-03-2011
Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Inwoners van Nederland gingen in 2008 gemiddeld 2,8 keer naar de huisarts. Degenen die de dichtstbijzijnde huisarts kozen, hoefden voor dit doktersbezoek meestal geen grote afstand af te leggen: de gemiddelde afstand bedroeg 0,9 kilometer.
28-03-2011
Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Van alle lidstaten van de Europese Unie is Malta het dichtstbevolkt. In 2008 telde dit land 1 304 inwoners per vierkante kilometer. Geen enkele andere lidstaat komt ook maar in de buurt van dit aantal. Op de tweede plek staat Nederland, met 487 inwoners per vierkante kilometer in 2008.
28-03-2011
Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Echtscheidingen waren vroeger nog uitzonderlijk, maar in de decennia die volgden veranderde dit snel. Sinds het begin van de vorige eeuw nam het aantal scheidingen toe van circa 600 naar 34 duizend per jaar.
28-03-2011
Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Op 1 januari 2009 was een op de tien Nederlandse woningen gebouwd na 2000. Op gemeenteniveau waren er echter grote verschillen in het aandeel van de woningvoorraad dat na 2000 is gebouwd.
28-03-2011
Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Recente demografische ontwikkelingen en enkele aanpassingen in het prognosemodel liggen ten grondslag aan een nieuwe CBS-bevolkingsprognose die op enkele punten afwijkt van de vorige prognose uit 2008. Het meest opvallend is een snellere vergrijzing en hogere levensverwachting dan eerder werd aangenomen. Het aantal 65-plussers groeit tussen nu en 2040 van 2,4 naar 4,6 miljoen, 143 duizend meer dan volgens de vorige prognose. De levensverwachting bij geboorte stijgt in de komende halve eeuw voor mannen van 78,8 naar 84,5 jaar. Bij vrouwen neemt deze levensverwachting toe van 82,7 naar 87,4 jaar. Met 17,8 miljoenmensen is het maximale inwonertal van ons land, in 2040, ongeveer 360 duizend hoger dan twee jaar geleden werd verwacht. Auteurs: Coen van Duin en Joop Garssen
28-03-2011
Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. In 2060 zal Nederland ruim 17,7 miljoen inwoners tellen, 1,1 miljoen meer dan op dit moment. De samenstelling van de bevolking zal naar verhouding sterker veranderen dan de omvang. Het aandeel van de niet-westerse allochtonen in de bevolking groeit van 11,4 naar 18,5 procent. Over een halve eeuw zullen naar verwachting 5,4 miljoen inwoners (westers of niet-westers) allochtoon zijn. Zij maken dan31 procent uit van de Nederlandse bevolking. Het aantal autochtonen neemt vanaf medio jaren twintig af, van 13,3 naar 12,3 miljoen. In 2060 bedraagt hun aandeel in de bevolking 69 procent, tegen 79 procent op dit moment. De niet-westerse bevolkingsgroep is nu nog aanzienlijk jonger dan de autochtone bevolking, maar zal in snel tempo vergrijzen. Met 22 procent 65-plussers zijn de niet-westerse allochtonen in 2060 bijna even sterk vergrijsd als de autochtonen. Auteur: Lenny Stoeldraijer en Joop Garssen
28-03-2011
Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Van de Poolse immigranten die in de jaren 2000–2009 naar Nederland kwamen, is inmiddels bijna 60 procent weer vertrokken. Dit aandeel is iets kleiner dan onder de Spaanse en Italiaanse immigranten uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, maar beduidend groter dan onder Turken en Marokkanen die in die tijd naar Nederland kwamen. Anders dan destijds onder Turken en Marokkanen is van grootschalige gezinshereniging onder Poolse immigranten (vooralsnog) geen sprake. Auteur: Han Nicolaas
28-03-2011
Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. De levensverwachting zonder chronische ziektes geeft een indicatie van de kwaliteit van het (resterende) leven. Deze maat is gebaseerd op het vóórkomen van een selectie van ziektes. De ziektes in deze selectie hebben verschillende invloeden op de gezonde levensverwachting. Ze komen niet allemaal evenveel voor en treffen groepen met verschillende sociaaleconomische en demografische kenmerken in verschillende mate. Laagopgeleiden hebben vooral op jongvolwassen en middelbare leeftijd vaker te kampen met bepaalde chronische ziektes. De ziektevrije levensverwachting van lager opgeleiden is hierdoor lager dan die van hoger opgeleiden. Auteur: Jan-Willem Bruggink
28-03-2011
Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Ondanks de voortdurend veranderende samenstelling vande Nederlandse bevolking en huishoudens zijn vrouwen in de hoogste leeftijdsgroepen nog steeds fors oververtegenwoordigd. Voorts maken vrouwen vaker dan mannen deel uit van een eenoudergezin en wonen ze op hogere leeftijden vaker alleen. Dit artikel geeft een overzicht van de belangrijkste demografische ontwikkelingen in de afgelopen jaren, waarbij de nadruk ligt op de verschillen tussen mannenen vrouwen. Auteur: Elma Wobma
28-03-2011
Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. In de periode 2007/2009 hield één op de vijf jongeren er een ongezonde leefstijl op na. Onvoldoende bewegen, overgewicht en het gebruik van tabak, alcohol en cannabis maken daar deel van uit. In de periode 2007/2009 rookte een op de vijf jongeren dagelijks, was een op de vijf een zware drinkeren had een op de tien in de maand voorafgaand aan het onderzoek cannabis gebruikt. De helft van de jongeren bewoog onvoldoende en een op de zes kampte met overgewicht. Het zijn vooral de jongens die meerdere genotmiddelen gebruiken en te weinig bewegen. De leefstijl van jongeren met overgewicht verschilt weinig van die van jongeren zonder overgewicht. Auteurs: Doreen Ewalds en Francis van der Mooren.
28-03-2011
Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Sinds de invoering van de adoptiewet in 1956 zijn in Nederland ruim 55 duizend kinderen geadopteerd. Tot midden jarenzeventig waren dit vooral Nederlandse kinderen, daarna hoofdzakelijk buitenlandse. Het totaal aantal geadopteerde buitenlandse kinderen is met 39 duizend meer dan twee keer zo groot als het aantal geadopteerde Nederlandse kinderen. Het aantal geadopteerde meisjes is iets groter dan het aantal geadopteerde jongens. De laatste jaren is China het belangrijkste herkomstland van adoptiekinderen. Auteurs: John de Winter, Arie Eilbracht en Arno Sprangers.
28-03-2011
Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. De behaalde opleiding bepaalt in hoge mate of iemand werkt en wat het niveau is van zijn of haar beroep. Dit artikel gaat in op de verschillen tussen provincies in het aandeel hoogopgeleiden en hun arbeidsparticipatie. In de Randstedelijke provincies van Nederland blijken relatief veel hoogopgeleide mensen te wonen. De arbeidsparticipatie van hoogopgeleiden is hoog en laat weinig provinciale verschillen zien. Zeeuwse vrouwen met een hoge opleiding maken relatief vaak geen deel uit van de werkzame beroepsbevolking. Een op de drie hoogopgeleiden heeft een beroep dat beneden zijn of haar opleidingsniveau ligt. Auteurs: Kasper Leufkens en Martijn Souren.
28-03-2011
Bevolkingstrends, 1e kwartaal 201. Bijna 80 procent van de volwassen Nederlandse bevolking geeft aan de meeste mensen in hun buurt te vertrouwen. Het overgrote deel heeft contact met directe buren en overige buurtgenoten. Het contact met directe buren is vaak hecht, het contact met overige buurtgenoten blijft eerder wat oppervlakkig. Ouderen, mensen met een hoog inkomen, autochtonen en degenen die al wat langer in een buurtwonen hebben meestal veel vertrouwen en een hecht burencontact. In buurten met een groot aandeel niet-westerse allochtonen, lage inkomens, een hoge stedelijkheidsgraaden /of veel verhuizingen is het vertrouwen relatief laag en hebben mensen minder (hecht) contact met elkaar. Auteurs: Karolijne van der Houwen en Rianne Kloosterman.
22-12-2011
Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2011. Terwijl vrouwen het moederschap de afgelopen 40 jaar steeds meer uitstelden, is het interval tussen de geboorte van het eerste kind en het tweede kind opvallend stabiel gebleven op een gemiddelde van 3 jaar. Oudere moeders (35-plus) krijgen hun tweede kind relatief kort na de geboorte van hun eerste kind. Jonge moeders stellen de komst van het tweede kind langer uit. Deze verschillen in geboorteinvallen zijn sinds 1970 groter geworden. Auteur: Lenny Stoeldraijer
28-03-2011
Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. De inkomstenontwikkeling van een persoon wordt vooral bepaald door zijn persoonlijke kenmerken en hangt veel minder sterk samen met de kenmerken van zijn woonbuurt. Bovendien is het niet zeker dat de samenhangen tussen buurtkenmerken en inkomstenontwikkeling echte buurteffecten zijn. Mogelijk verschillen inwoners van verschillende buurten van elkaar op ongemeten persoonlijke kenmerken, en daarnaast is de vraag met wie ze daadwerkelijk omgaan. Auterus: Marjolijn Das, Sako Musterd, Sjoerd de Vos en Jan Latten
28-03-2011
Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2011. Bij een naar verhouding slechte arbeidsmarkt met een stijgend aantal werklozen daalde in 2009 toch de langdurige werkloosheid. Dit is echter een naijleffect van een gunstige periode met minder kortdurige werklozen. Daardoor is de langdurige werkloosheid minder gevoed. In 2005, eveneens een slecht arbeidsmarktjaar, deed zich het omgekeerde voor. Toen steeg de langdurige werkloosheid als gevolg van de toename van de kortdurige werkloosheid een jaar eerder. Jongeren waren het minst vaak langdurig werkloos. Zij zijn ook beter in staat dan ouderen om langdurige werkloosheid te voorkomen, zelfs als de situatie op de arbeidmarkt verbetert. Verder waren allochtonen relatief vaker langdurig werkloos dan autochtonen. Auterus: Harry Bierings, Léander Kuijvenhoven, Jan van der Laan en Robert de Vries